Dorpskerk

Vensterafbeelding Pastorie

De Pastorie

In dit venster maken we even een uitstapje naar de pastorie. Ook een eigendom van ‘de kerk’ en daarom een eigen plekje op deze website.

1100

1200

1300

1400

1500

1600

1700

1800

1900

Nu

In dit venster

Een pastorie is de ambtswoning van een pastoor of predikant. In vroeger tijden vaak nog wheme of weeme genoemd. Voor de Reformatie (rond 1580) wordt de pastorie van IJsselmuiden bewoond door de pastoor en zijn eventuele huisgenoten. We hebben geen idee over het hoe, wat of waar van deze pastorie.

Het leven in de pastorie

Een pastoor is lang niet altijd celibatair, maar woont soms samen met een vrouw (een concubine) en met eventuele kinderen. Hij is dan niet officieel getrouwd. Ook zijn er pastoors die een (oudere) huishoudster in huis hebben. Het is ook zeker niet zo dat een pastoor alleen met geestelijke zaken bezig is. Zijn inkomsten als geestelijke zijn onvoldoende om van te leven en daarom is het heel normaal dat hij er een boerenbedrijfje op na houdt. In 1551 verkoopt ene Thoeneys Goessens aan heer Jorgen van Luenenborch, pastoor te IJsselmuiden, zijn twee zwarte koeien en zijn bonte merrie en de bruine merrie met een bles voor 17 goudguldens en 9 stuivers. En in 1563 wordt opgetekend dat ‘die pastoor van Isselmuiden op die weeme heeft laeten maecken eenen nyen graven, sal men hem aenseggen dat hij daer eenen dam in maecken sall’. De pastorie bestaat dus uit meer dan alleen een studeerkamer!

Huishuur hoeft de pastoor (en later de predikant) niet te betalen. En het onderhoud van de woning wordt bijgehouden en betaald door de erfgenamen (het bestuursorgaan ‘De Erfgenamen van IJsselmuiden’), die inkomsten verkrijgen uit de erfgenamen- en kerkengoederen én uit diverse soorten belastingen gehouden onder de kerspellieden. Want ‘die van Isselmuiden, Grafhorst ende die van Asschet die toe Isselmuiden ter karcken hoeren, die pastoors ende costers huis behoeren toe onderholden ende toe timmeren’. Al moet er wel dikwijls eerst iets voorgeschoten worden, zoals in 1603. Achteraf wordt ‘aan de pastoor (is de dominee) indertijd Hermanno Voss 50 goudgulden betaald tot timmeringe aan de wedeme in IJsselmuiden, zoals de pastoors rekenschap uitwijst’.

Na de Reformatie komt de pastorie wat meer in beeld. De oproepen van de verschillende kerkelijke vergaderingen aan plattelandspredikanten die woonachtig zijn in een nabijgelegen stad, de zogenaamde non residenti, om bij hun gemeente te gaan wonen zijn talrijk. In 1603 verplicht de synode ‘den predicanten ten platten lande, in steden wonende’ om in de plaatselijke pastorie in hun gemeenten te gaan wonen. Deze verplichting moet echter nogal eens herhaald worden. Soms is er gewoon geen beschikbare pastorie, zodat het plaatselijke bestuur moet worden aangesproken. Of de oorlogssituatie is zodanig, dat het voor de predikant niet veilig is op het platteland. Vaker is de oorzaak echter gelegen in het feit dat de predikant het wel prettig vindt om toch iets geriefelijker te kunnen wonen in de nabijgelegen stad. Maar ‘elcken herder behoort by syne schapen te wonen’ vindt de classis naar aanleiding van het bijbelvers ‘Ik ben de goede Herder en Ik ken de Mijnen en word door de Mijnen gekend’…

In 1622 besluit de classis Kampen dat ‘een yeghlijck praedickant ten plattenlande sal bij sijn ghemeente woonen’. Binnen zes weken moet Goyckerus verhuizen naar Wilsum. En hij niet alleen, ook de predikanten van IJsselmuiden en Ens, Johannes Roothusius en Lambertus Hiddingius, moeten Kampen verlaten en zich bij hun gemeente voegen. Goyckerus zoekt allerlei uitvluchten om maar niet naar Wilsum te hoeven verhuizen. Talloze keren wordt hij hierop aangesproken door de classis. Uiteindelijk is het geduld van de classis op en wil de classis in december 1623 van geen enkele ‘exceptie, excuse ofte limitatie van huys of imant in ’t huys t’crigen, of hoedanig dy ock moge wesen’, meer weten. Hij zal bij zijn gemeente in Wilsum gaan wonen en doet hij dat niet, dan volgt een onmiddellijke schorsing.

De pastorie aan de Dorpsweg

De pastorie van IJsselmuiden staat, tenminste vanaf de Reformatie, op enige afstand van de kerk aan de Dorpsweg. Het is niet bekend of de pastorie altijd op deze plek heeft gestaan, maar zeker wel rond 1600 en daarna (tot de verkoop in het jaar 1894). Het huidige adres van de voormalige pastorie is Dorpsweg 83, het pand waarin deels Slagerij van Ingen en ook de kledingzaak Every One Young Fashion Store zijn gevestigd. De pastorie is in 1848 overigens flink uitgebreid.

In het jaar 1634 wordt de pastorie grondig opgeknapt. De oorlog, die in onze omgeving zo goed als achter de rug is, heeft de meeste woningen in IJsselmuiden geen goed gedaan. In één jaar worden de volgende onkosten aan de weeme gemaakt:

  • Aen Jan Jansen smit, wegens gehaelde spijckers tot reparatie vande weeme                    F 11-14-0
  • Noch an Jan Cornelissen slootenmaecker van geleverde isserwerck ande weeme             F 13-6-0
  • Item an Lambert messelaer op reeckening van syn arbeydt                                              F 15-12-0
  • Noch betaelt over acht ende twyntich tonnen kalx soo ande weeme gegaen is                  F 19-12-0
  • Noch betaelt aen Gerrit Wolters timmerman wegens dat timmeren van de weeme             F 12-16-0
  • Den 20 july 1634 van Jan Jansen Eckelboom 600 pannen tot reparatie vande weeme       F 9-0-0
  • aen Trientien Henricx over achte halff duisent geele steen, so ande weeme gecomen is   F 37-10-0
  • noch betaelt an Henrick Helmichs voor holt gelevert aen die weeme van Isselmuyden      F 18-5-8

De IJsselmuider predikanten hebben niet allemaal in de pastorie gewoond. Enkelen van hen zijn zo bemiddeld dat zij voor kortere of langere tijd elders in het dorp een beter, groter en/of mooier huis kunnen betrekken. In deze jaren wordt de pastorie verhuurd. Zo heeft dominee Loeffsen (1704-1719) enkele jaren het buitenhuis Ittervecht bezeten, dominee Duircant (1760-1803) koopt in 1781 het huis van zijn buurman en dominee Scheepers (1813-1841) bewoont jaren lang huize Meerburg. 

Groot onderhoud in 1787

 

Rond 1770 verkeert de dorpskerk in een slechte staat en de zijgevels wijken zover naar buiten, dat voor instorten gevreesd wordt. In allerlei brieven en rapporten wordt de ernst van de situatie in allerlei bewoordingen omschreven. Duidelijk is wel, dat er heel snel iets moet gebeuren om te voorkomen dat IJsselmuiden binnen enkele jaren geen kerk meer heeft…

De Kamper architect J. ten Holte zal ‘alle defecten nauwkeurig opnemen’ en aangeven welke reparaties het meest nodig zijn. Om de kerk ‘voor een geheel verval te behoeden’ is haast geboden. In april 1774 komt Ten Holte met zijn rapport, waarin hij aan geeft dat de meest noodzakelijke reparaties ongeveer 400 gulden gaan kosten. Er worden onmiddellijk enkele noodvoorzieningen getroffen om het instortingsgevaar te verminderen. Maar, om alle defecten te repareren, is een veel groter som geld nodig.

Omdat de Erfgenamen het er al snel over eens zijn dat zij zelf, als kerspelbestuur, deze lasten niet kunnen dragen, wordt onmiddellijk subsidie aangevraagd bij Ridderschap en steden.

De erfgenamen geven aan dat het Kerspel zich in een onmachtige staat bevind, vooral ‘wegens de aanhoudende veesterfte die dit kerspel in ’t bijzonder zeer zwaar getroffen heeft’. En ook de pastorie en het kostershuis behoeven enige reparaties, terwijl vorige reparaties nog niet eens zijn afbetaald. In een bijlage wordt een begroting meegezonden. De defecten worden opgesomd en men denkt zeker 1850 gulden nodig te hebben ‘ter hoogst nodige reparatie van kerk, pastorie en schoolhuis te IJsselmuiden’.

Het predikantshuis: De voorgevel ten deele de voegen uit te krabben en weder in te voegen en strijken, en alle de lekken te zuiveren met een weinig stelwerk aan de zijmuren, enig vloeren, het repareren of vernieuwen van een schoorsteen met een nieuwe draai of rookbak op denzelven; eene vuurstee te bezetten met steentjes, het dekken der pannen een weinig te repareren aan de eene zijde van het huis boven het zijkamertje, de pannen afnemen en het spoorwerk wat te ligten en repareren met de latten en waterborden, en de pannen die manqueeren, vernieuwen, een nieuwe deur, het verbeteren van enige ramen, de schuur van achteren en de ene gevel wat opzetten en de stijlen van onderen wat aanlassen of vernieuwen met nieuwe planken, aan de ene gevel en van achteren de planken wat verstellen en voorts wat opstellen, het secreet wat op te stellen, vervolgens al het werk wat op te stellen naar den eisch van zulk werk. De kosten hiervan zullen omtrent tweehonderd tweeënzestig guldens bedragen. Door mijn opgesteld, Jan ten Holt den 25 April 1774.

In 1787 beklaagt dominee Duircant zich bij Ridderschap en Steden (Staten van Overijssel) over de slechte toestand van de pastorie. Klagen bij het kerkbestuur, de erfgenamen van IJsselmuiden, helpt blijkbaar niet voldoende. De brief die de dominee verstuurt is zo aandoenlijk, nederig én wanhopig dat deze hier in zijn geheel wordt weergegeven.

Hoogwelgeboren gestrenge Heer!      Mijn Heer!

 

De nood, de uiterste nood dringt mij, hoezeer ik dan ook dusver daar tegen opzag, U Hoogwelgebooren gestrenge te deezer gelegenheid lastig te vallen met klagten over mijne wooning.

Van de onnozele kleinheid zal ik niet reppen. Maar, regent het wat buitengewoon, zoo loopt straks het roetig water uit een dubbele schoorsteen, aan de glazen kunnen wij niet zitten: daar worden wij door een gestaag lekken gekweld. Het is zomtijds zoo sterk, dat men het water het huis uit moet veegen. Het gebeurt niet zelden, dat mij, terwijl ik zit te studeeren, het water plotzling valt op hoofd en aangezigt, op boeken en papieren en alles dreigt te bederven, ofwel, tot mijne, merkelijke schade, werklijk bedervt. Op de zolder, daar iets afgeschoten is voor den boeken, is een raam en kezijn dat geheel verrot is, de glazen liggen er uit, en het kan niet op of neer geschoven worden: mijne boeken zijn er niet betrouwd, en daarbuiten kan ik niet. In de keuken is zolder en dak en muurwerk zo hol, dat geen mensch, als het maar weinig waait, er duuren kan: dienstboden moeten er hunnen onschatbaare gezondheid waagen. Voorts is er boven de kelder nog een klein vertrekje, het eenige buiten de andere twee, daar winter en zomer huisgehouden, geslaapen, en gestookt moet worden, daar het zomstijds ook dierwijzen lekt, dat mijn vrouw meer maalen bij nagt moet opstaan, om haar goed en kleeding te bergen en te droogen: terwijl andere dingen dien niet gewaschen kunnen worden, alle in kisten en koffers moeten gepakt worden. Wijders hebben wij voor 3 jaaren en vervolgens met de hooge watervloeden het ongeluk gehad, dat door den drang van ’t water de turvschuur schier aan stukken geslagen wierd, en voorlang al geheel onbruikbaar geworden is.

Van alle die ongemakken en gebreken hebben wij van tijd tot tijd aan de tijdelijke kerkmeesters, gelijk ook laatstmaal nog bij geschrivt in die qualiteit aan den tegenwoordigen secretaris van Grafhorst R. v.d. Woude, geklaagt, maar weinig gehoor gekreegen; tot dat ik voor 3 jaaren dien Heeren te verstaan gav, dat, als er niet gerepareerd wierd, ik niet langer in den pastroorij kon blijven woonen maar, hoe ongaarne ook, mijne gemeinte, met behoorlijke voorkennis van u hoogwelg.g. zou moeten verlaaten. Toen is het huis door de metzelaarsbaas van Wijk opgenomen, welke betuigde, dat het niet of nauwlijks te helpen was, of de gevels moesten weg, en het nodige daar dan nog bij: maar dat kon niet verkregen worden. Gemelde van Wijk heeft toen, om ons nog wat soelaas toe te brengen, voor de som van vijftig gulden het allerergste nog zoo wat bestreeken en belapt, en heeft dat heeft ook nog vooreerst iets geholpen, maar nu is het, juist als die man voorzegt heeft, alweer even erg. Met een woord, de schade aan boeken, kleederen en huisraad, en andere onaangenaamheden uit zulk eene jammerhartige wooning ontspruitende kan ik u hoogg.g. niet beschrijven, en, ik mag ook u hoog.g. met deezen niet langer ophouden.

Alleen is onze bede, dat mijn huis (een ordentelijke wooning doch is een voornaam gedeelte van het jaarlijksch tractament van een predikant op het land, en tegelijk een van de grootste genoegens van ’t menschelijk leeven) toch nu eindelijk eens door u hoogwel-gestr. veel vermoogende intercessie, wijs en gunstig bestuur, en, desnoods hoog gezag behoorlijk verzorgd worden.

Ik eindig met eenen  hartgrondigen wensch, dat Overijssels Hooge en souvereine staats vergadering bij aanhoudendheid ondervinden moogen, dat God is in het midden der Goden. U hoogw.g.g. wel bijzonder zij Neerlands God de God der vrijheid, goed op allen wijs, goed ten aller tijd! En ik heb de eer met de meeste hoogachting en den diepsten eerbied mij te noemen

 

                                                 Hoogwel gebooren gestrenge Heer!

                                                                                      

Uw hoogwelgeboorengestr. zeer ootmoedigen en geh. dienaar,

in IJsselmuijden, den 21 sten Maart 1787.            Aernout Duircant.

Hoe het na 1787 precies verlopen is, weten we niet. In het rekeningenboek van de erfgenamen zijn geen bijzondere uitgaven ten behoeve van de pastorie te zien. Misschien is er subsidie gekomen van hogerhand en zijn deze inkomsten en uitgaven niet in het rekeningenboek verwerkt. Pas na 1803, als dominee Duircant is overleden en een nieuwe predikant moet worden gezocht worden er werkzaamheden aan de pastorie verricht. Voordat dominee Heppener in 1805 intrede doet ontvangt ‘Jan van de Weg voor ’t behovenieren van de hof van de pastorie en voor ’t beweiden en schoonhouden’ ruim 40 gulden, wordt de schoorsteen geveegd, krijgt de deur een nieuw slot, wordt de haard geverfd, kost het werk van timmerman Evert Sellies 10 gulden, komt er een ledikant van 45 gulden en betaalt men ‘de buren die de pastorie hebben schoongemaakt een fooij en coffij geld en vrou van der Weg en weduwe Hendrijk Jacobs voor een dag werk’. En het mooiste komt nog, de familie Heppener krijgt een splinternieuw toilet: ‘Voor ’t ruimen van ’t secreet en rondom ’t huijs van de predicant F 3-0-0 / A. Leeuwerink metselaar voor arbeidsloon en metselen tot een nieuw geheim huisje an de pastorie F 40-0-0.’

Mijn Heer de Landdrost,

 ter voldoening aan Uwe dispositie de dato 29 Augustus l.l. No.1. en die van den 17 Oktober l.l. No.3. heb ik de eer, na bekomene informatien te berichten, dat de Predikant van IJsselmuiden uit geen fonts, Plaatzelijke of publieke kast betaald word, alzo dusdanige hier niet exteerd, maar Zijn geheel tractement uit de Departementaale kast en eenige Landerijen geniet. Dat dezelve gratis het Pastorijhuis occupeerd.

Wat de Custos of Voorzanger betreft geen penning van Lands weegen geniet, het Schoolhuis insgelijks gratis bewoond. Dat dezelve voor het schoonhouden van Kerk en Kerkhof ’s jaarlijks geniet f 17,= welke uit een gering fonts, het eigendom der Hervormden zijnde, betaald word, en uit welke Kerk, Pastorij, Schoolhuis zo veel moogelijk onderhouden worden, en in Cas van te kort schieten, moet dat bij uitzet gevonden worden.

 Ik heb de eer met alle verschuldigde Hoogachting te zijn.

Mijn Heer de Landdrost,

Uw WEGs. Onderdanige en Gehoorzamen Dienaar de Schout Voornoemd

D.G. Escher

 

Bron: Rijksarchief in Overijssel – Statenarchieven – Toegang 00031 Inv.nr. 6739

In december 2021 mochten wij een kijkje nemen op de zolder van de familie Kamphorst, die woont in de linker helft van de voormalige pastorie. Dit is dus in het oudste gedeelte. Op de zolder zijn nog drie spanten aanwezig die vermoedelijk bij de verbouwing in 1787 werden geplaatst. Later werd de kap rond deze spanten weer aangepast en uitgebreid.

Op de kadasterkaart van 1832 heeft de pastorie de naam Le Presbytere. Dat is het Franse woord voor de predikant. Het is vergeleken met veel andere huizen een vrij groot huis, zonder bijgebouwen. Verder is er veel tuin omheen. Bekend is dat de pastorie ook een echte naam heeft gehad en wel Pomona. Pomona is de Romeinse godin van de boomvruchten. Omdat er juist achter de pastorie een uitgestrekte boomgaard is gelegen, is deze naam goed te verklaren.

De predikant Jacobus Henricus Scheepers komt in 1813 als proponent naar IJsselmuiden en woont van november 1813 tot 25 april 1829 in de pastorie. Wanneer hij in 1829 namelijk hertrouwt, is dat met de weduwe van Peter Bondam, Hendrika Alida Clement, eigenaar en bewoner van huize Meerburg. Het moge duidelijk zijn dat dit huis voor het nieuwgevormde gezin de voorkeur heeft. Dominee Scheepers is in 1841 overleden.

In de jaren 1829-1841 is de pastorie verhuurd. Onder andere in 1829/1830 aan Engelbertus Willem Timmerman, een gepensioneerd kapitein van 83 jaar oud die in november 1830 overlijdt. Dan woont in 1831/1833 de advocaat Adam Heijting met zijn gezin in het huis. In de jaren 1833/tenminste 1836 is het Anthonie Donleben, 39 jaar oud en gepensioneerd kapitein, die in 1835 overlijdt. Zijn vrouw en kinderen blijven er nog een poosje wonen.

Dominee Hermanus Rietveld Creyghton komt in 1842 van Wilsum en betrekt de pastorie.

Verbouw en vergroting 1848

In de jaren veertig van de negentiende eeuw wordt steeds vaker vergaderd over de noodzaak van groot onderhoud én een mogelijke uitbreiding van de kerk. De plannen krijgen vorm, maar duidelijk is dat de benodigde financiële middelen van buiten moeten komen. De Kerkvoogden zullen subsidie(s) moeten aanvragen, want er is ongeveer 6000 gulden nodig.

In de zomer van 1848 wordt aan de restauratie en uitbreiding begonnen en deze klus zal uiteindelijk wel ongeveer een jaar duren. Naast het werk aan de kerk, zal ook de pastorie aan de Dorpsweg worden vergroot en opgeknapt. Beide klussen worden in één keer aanbesteed.

Kamper Krant van 13 April 1848

Op Vrijdag den 28 April 1848 des voormiddags te 12 uren, zal, onder nadere goedkeuring, door den Heer Staatsraad Gouverneur van de Provincie Overijssel of door een daartoe gecommitteerd lid van Heeren Gedeputeerde Staten, in bijzijn van den Heer Hoofd‐Ingenieur van den Waterstaat in dat gewest, aan het lokaal van het provinciaal Gouvernement te Zwolle worden aanbesteed: Het vergrooten door het aanbouwen van een half kruis aan de noordzijde van de Hervormde gemeente te IJsselmuiden, het doen van eenige verbeteringen aan het oude kerkgebouw en het vergrooten der Pastorie aldaar.

Het werk wordt aangenomen en uitgevoerd door de plaatselijke aannemer Gerrit Felix, voorvader van de aannemersfamilie Felix én kostersfamilie Felix. Het verbouwen van de pastorie gaat hij doen voor 1500 gulden. De pastorie wordt, vanaf de Dorpsweg gezien, naar rechts uitgebreid en ongeveer verdubbeld qua grootte. Gemaakte ontwerptekeningen van deze uitbreiding zijn gelukkig bewaard gebleven, zodat ook bekend is hoe de pastorie er voor de uitbreiding uit heeft gezien.

Voor 1848 is het huis (ongeveer) 6 meter breed en 12 meter diep. Er is over de hele breedte een voorkamer, dan een voordeur met een gang en daarin een trap naar boven. Daarachter is de achterkamer / keuken. Boven is de studeerkamer en een zolder / slaapkamer. Het vergrote huis is ruim 13 meter breed, heeft een prachtige voordeur middenin, een gang naar achteren, aan de weg twee voorkamers, links achter de keuken en in de rechter voorkamer een grote kast en een bedstee. Rechts achterin bevindt zich een inpandige schuur. Op de bovenverdieping blijft de studeerkamer en komt er een grote kamer bij.

Gerrit Felix is gedoopt te IJsselmuiden op 13 september 1789 als zoon van Hendrik Felix en Gerridina Ruitenberg en overleden op 18 februari 1849 te IJsselmuiden, nog tijdens de werkzaamheden aan kerk en pastorie. Gehuwd op 23 februari 1810 te IJsselmuiden met Gerritdina Speek, geboren op 17 april 1789 te Zwolle en overleden op 26 juni 1849 te IJsselmuiden. Zij krijgen samen 11 kinderen, waarvan ze er in hun leven al 7 hebben moeten begraven. Zijn kleinzoon Gerrit Felix bereikt in 1857 de leeftijd van 18 jaar en wordt koster van de dorpskerk, wat hij 55 jaar lang zal zijn.

Op 2 september 1882 wordt er een vergadering van Kerkvoogden en Notabelen gehouden in de pastorie. In de notulen van deze vergadering staat: ‘De kerkvoogden zijn van mening dat, gezien de “desolate toestand der pastorie”, er toch de nodige reparaties en verfraaiingen dienen aangebracht te worden. Ze menen dat dit een gunstige invloed kan hebben op het spoedig krijgen van “een eigen leraar”. Voorgenomen wordt het repareren der zonneschermen, vervangen voordeur en het bestrijken van de voorgevel om het geheel weer in “bewoonbaren staat” te brengen.’

Jochem Rietman voert het werk uit en enkele maanden later neemt Ds J. Beyer, predikant te Lemele en Archem, het beroep naar onze gemeente aan.

Elf jaar later, op 30 augustus 1893, melden de notulen: ‘Het jaarlijkse onderhoud van de pastorie gaat steeds meer geld kosten en is bijna niet meer op te brengen. Voorzitter stelt voor om de pastorie geheel te vernieuwen, of een ander geschikt gebouw aan te kopen. Dit voorstel wordt aangenomen en Kerkvoogd Van de Kamp wordt opgedragen een voorlopig onderzoek hierna te stellen.’

Er wordt op 4 oktober 1893 een brief geschreven aan het provinciaal College van Toezicht, waarin wordt aangegeven ‘dat de pastorie een zeer oud gebouw is, dat in de loop der tijden veel veranderingen heeft ondergaan, maar ze hebben toch het ongeriefelijke en ondoelmatige niet kunnen wegnemen. Het gebouw is altijd zeer vochtig, een gevolg van de verkeerde wijze van bouwen in vroeger dagen, ook al wijl de grond niet genoeg is opgehoogd. Daarbij is de bovenverdieping veel te laag, kortom het zou geen moeite kosten zeer veel verkeerds aan het gebouw aan te wijzen.’ De kerkvoogden geven aan dat ze achteraf gezien teveel geld hebben gespendeerd aan het onderhoud, wat nagenoeg niets heeft geholpen en wat nu moet stoppen. Wil het een goede woning worden, dan moet het tot de grond worden afgebroken. Dientengevolge hebben kerkvoogden, na rijp beraad, besloten de oude pastorie met tuin te verkopen en een nieuwe pastorie te bouwen op een daarvoor aan te kopen terrein en daarvoor een som op te nemen van f 6500,-. Het College van Toezicht wordt om toestemming gevraagd.

Er worden nog drie argumenten aan gedragen. Ten eerste is de plaats waar de pastorie nu staat ‘achter in het dorp en behoort niet tot de geschiktste en aangenaamste punten in IJsselmuiden en heeft zeker op menig predikant, die bij een vacature de plaats kwam bezien, eenen ongunstigen invloed uitgeoefend’. Ten tweede lijkt het hen voor de huidige predikant, met zijn grote gezin, fijner om straks in één keer te verhuizen naar een nieuwe pastorie in plaats van hen een jaar elders onderdak aan te bieden. Ten derde weten de kerkvoogden dat aan het begin van het dorp een geschikt terrein te koop is voor het bedrag van f 2600,- en wat vast en zeker gekocht zal kunnen worden van de opbrengst van de oude pastorie.  

Het College komt eerst nog met enkele bezwaren, met name vanwege het grote bedrag wat moet worden geleend. Kerkvoogden geven aan dat de oude pastorie waarschijnlijk meer dan f 2600,- zal opbrengen en ook is er een mogelijkheid om een stuk(je) van het aan te kopen terrein kan worden doorverkocht. Er komt daarna gelukkig toch de nodige toestemming. De kerkvoogden zijn trouwens op de muziek vooruit gaan lopen, want in de Kamper Krant van zondag 8 oktober 1893 lezen we: ‘Door het kerkbestuur der Ned. Herv. gemeente te IJsselmuiden is een gedeelte van den tuin van het vroegere buitenverblijf Meerburg, gelegen aan den Nieuwenweg en den Dorpsweg, aangekocht, teneinde daarop een pastorie te bouwen.’ Die gok hebben ze maar vast genomen, want de kerkvoogdij wil doorpakken en vóór de winter beginnen met de bouw. Helaas ontbreken de notulen van de kerkvoogdij over de jaren 1894-1908, dus de precieze gang van zaken is moeilijk te volgen.

De oude pastorie is gekocht door Gerrit Lubberts van der Kamp (1869-1899). Hij is maar kort eigenaar (1895) geweest en heeft het pand doorverkocht. Everhardus Antonius Stoer uit Kampen koopt de pastorie van Van der Kamp en gaat er (tussen oktober en december 1895) met zijn gezin wonen. Gezien onderstaand krantenbericht heeft hij er ook nog geld ingestoken: ‘J.L. Woensdag is in het Hotel “de Moriaan” aanbesteed het schilder-behang- en stukadoorwerk in het huis vroeger Pastorie te IJselmuiden’. In 1899 verkoopt Stoer het huis al weer en tot 1919 heeft het huis nog drie eigenaren gehad.

In de jaren daarna is het huis bewoond door meerdere gezinnen, onder andere de familie Wezenberg. Op de begane grond is dan het timmerbedrijf van Felix gevestigd, totdat het bedrijf verhuist naar het bedrijventerrein de Spoorlanden. Tegenwoordig zien we links aan het pand een slagerij aangebouwd en biedt het geheel plaats aan Slagerij van Ingen en de kledingzaak Every One Young Fashion Store (in bezit van nakomelingen van de genoemde familie Wezenberg).

Over een grote kelder onder de woning én over een tunnel die loopt naar de kerk zeggen de bronnen niets. In de familie Wezenberg wordt echter verteld: Mijn moeder bevestigde het verhaal van de tunnel, maar in haar optiek zat die aan de voorzijde. Daar waar familie Goosen nu nog de voordeur heeft. Alleen was vroeger het portiek bij die voordeur veel groter/ dieper, want mijn moeder speelde daarin altijd winkeltje. Ze heeft die tunnel zelf niet gezien, maar het wat iets wat verteld door haar vader. Aan de zijkant van de woning had je een groot grind pad, met halverwege een soort van luik met raampje, waar je ook toegang tot de kelder had. Deze kelder kon je ook betreden via de woning. De kelder had van die mooie togen, met een plavuizen vloer. In de oorlog heeft mijn moeder met de rest van het gezin daar verschillende keren geschuild. Want vanaf Kampen vlogen soms de kogels door de woning heen.

Een nieuwe pastorie in 1894

De Kamper Courant van 15 februari 1894 bericht: ‘Door het bestuur der Ned. Herv. gemeente te IJsselmuiden is het bouwen eener pastorie aldaar thans gegund aan den heer J. Rietman te IJsselmuiden, die bij de voor eenigen tijd gehouden openbare aanbesteding laagste inschrijver was’. Klaarblijkelijk is er toch vertraging opgelopen. Jochem Rietman, een plaatselijke timmerman / aannemer is de bouwer en dominee Renier legt de eerste steen. Het gezin Renier bewoont vanaf de herfst van 1894 als eerste de nieuwe pastorie die werkelijk prachtig is geworden!

Adriaan Renier is geboren te ’s-Gravenpolder (ZL) op 10 januari 1847 als zoon van dominee Jakob Renier en Jordana Christina Everdina van Eeten

Op 27 juni 1887 wordt hij vanuit Elspeet naar IJsselmuiden beroepen. Dankzij zijn Gereformeerde prediking heeft de doleantie, die juist in zijn ambtsperiode in IJsselmuiden valt, en waarvan hij een grote tegenstander is, weinig tot geen invloed op en in onze gemeente. Na ruim 17 jaar de gemeente te hebben gediend, vertrekt hij op 9 juli 1905 naar Ouderkerk a/d IJssel.

 Ds. Renier is op 5 februari 1875 te Schiedam getrouwd met Ida van Buijsen, geboren op 3 september 1849 te Pijnacker (Z.H.) als dochter van Hugo Jacob Johannis van Buijsen en Neeltje Notenboom. Het echtpaar krijgt 9 kinderen, waarvan de jongste in IJsselmuiden is overleden.

Ida is overleden te Eemnes Buiten op 27 mei 1915 en dominee Renier overlijdt te Utrecht op 12 april 1921. Samen met hun dochtertje Simonetta Willemina (1892-1894) liggen zij begraven in IJsselmuiden, waar het graf nog altijd te vinden is op de Algemene begraafplaats.

 Uit dit huwelijk:

– Hugo Jakob Johannes, geboren op 18 december 1875 te Wilnis

– Jordana Christina Everdina, geboren op 20 mei 1877 te Wilnis

– Jakob, geboren op 2 december 1878 te Wilnis

– Hendrikus Johannes, geboren op 3 augustus 1880 te Bergambacht

– Nellij, geboren op 22 april 1882 te Bergambacht

– Cornelis Adriaan, geboren op 14 mei 1884 te Elspeet

– Cornelia Ida, geboren op 2 maart 1886 te Elspeet

– Geertuida, geboren op 19 mei 1890 te IJsselmuiden

– Simonetta Willemina, geboren op 22 oktober 1892 te IJsselmuiden

 Heden overleed tot onze diepe droefheid onze jongste lieveling Simonetta Willemina, in den aanvalligen leeftijd van ruim 1½ jaar.

Renier  V.D.M. 

  1. Renier – van Buijsen

IJsselmuiden, 6 juni 1894.

Het eerstvolgende voorjaar (1895) komt het maar wat goed uit dat de dominee een groot huis heeft. De aannemingsavond, die altijd in de pastorie wordt gehouden, telt 38 belijdeniscatechisanten en 3 kerkenraadsleden! Het huis is groot, maar zeker ook de tuin om het huis. Achter in de tuin staat

het prieel (tuinhuis), dat in 1885 is gebouwd door een bewoner van ‘Meerburg’ en nu ineens in de tuin van de dominee staat.

In 1905 vertrekt de familie Renier naar Ouderkerk aan den IJssel. Achtereenvolgens wonen de volgende predikanten in de pastorie aan de Dorpsweg nummer 2.

Nicolaas Cornelis Bakker        1906   van Poortvliet                          1910   naar Kesteren

Pieter Zandt                           1910   van Loon op Zand                    1915   naar Ede

Teunis Lekkerkerker               1916   van Oosterwolde  (Gld.)            1921   naar Delft

Johannes Keller                     1923   van Sint Maartensdijk               1931   losgemaakt

Pieter de Looze                     1933   van Waddinxveen                     1943   emeritaat

Hendrik Arie Leenmans          1946   van Ede                                   1948   naar Houten

Willem de Bruijn                    1948   van Lexmond                            1953   naar Ermelo

Jan Georg Abbringh              1957   van Oosterwolde  (Gld.)             1963   naar Arnemuiden

Jacob Jongerden                  1964   van Bruchem-Kerkwijk               1965   verkoop pastorie

Kamper Courant van 14 november 1909: Woensdagavond half negen, geraakten de dames E. en V. die voor een goed doel met een lijst liepen in de breede sloot bij de Pastorie der Herv. Kerk te IJselmuiden. Op het hulpgeschrei kwam de heer E. toeschieten en mocht na veel inspanning het genoegen smaken beiden behouden op den wal te krijgen. Hoe allen er uitzagen behoeft niet gezegd te worden. Het zou misschien aanbeveling verdienen daar een lantaarn te plaatsen.

In het jaar 1951 wordt een strook van ongeveer 200 m2 van de pastorietuin verkocht aan de Gemeente IJsselmuiden ten behoeve van de verbreding van de Nieuweweg. Deze weg wordt grondig aangepakt en krijgt dan ook de naam Burgemeester van Engelenweg, als eerbetoon aan Gerrit Abraham van Engelen, de burgemeester op dat moment. Als wethouder en loco burgemeester heeft hij zich met name in de oorlog zeer verdienstelijk gemaakt.

Na deze aderlating blijft, volgens een opgave in 1958, van het perceel nog maar liefst 40 are over!

En nog vier pastorieën

In 1962 besluit de kerkvoogdij de pastorie te willen verkopen vanwege de hoge stookkosten en de bewerkelijke tuin. De heren denken wel f 150.000,- te kunnen vragen. De burgerlijke gemeente heeft wel oren naar het perceel, laat het taxeren en wil f 93.600,- geven. De kerkvoogdij laat nu eerst een advertentie in de kranten plaatsen, waar men een vraagprijs van f 120.000,- hanteert. Dit levert niets op en bij nader inzien wordt besloten om het geheel toch voor de geboden prijs te verkopen aan de gemeente. Notabel Lageweg verzekert de broeders dat voor dit bedrag ruimschoots een nieuwe pastorie aan de Erfgenamenstraat kan worden gebouwd. Deze optie, waar men niet al te lang over kan nadenken, geeft de doorslag. Het wachten is nu op het gereed komen van de nieuwe pastorie, wat nog wel even kan duren. Het wordt eind 1964 voor de pastorie aan de Erfgenamenstraat zo goed als klaar is. De Gemeente IJsselmuiden gebruikt van 1965 tot 1977 het perceel Dorpsweg 2 voor de afdeling Gemeentewerken. Omdat in 1974 het gemeentehuis van IJsselmuiden is gebouwd aan de Oosterholtseweg wordt het pand met de helft van de tuin verkocht aan de Rabobank, die er in 1977 de pastorie sloopt en het huidige bankgebouw laat bouwen. Het overige gedeelte van de tuin met het prieel wordt openbaar plantsoen.

Inmiddels is in de zomer van 1958 een tweede pastorie aangekocht, het pand Burgemeester van Engelenweg 135, dat voorheen eigendom was van de Vrij Hervormde Gemeente en is bewoond geweest door dominee Wakker. Dit in verband met de komst van een tweede predikant, Gijsbert Biesbroek (1959 van Kamperveen – 1963 naar Vlaardingen). Deze pastorie, die f 25.800,- kost, is echter ook al een wat ouder huis (eind negentiende-eeuws) en wordt daarom meteen gerestaureerd. De restauratie valt erg tegen en gaat uiteindelijk ongeveer f 30.000,- kosten.  Het blijft echter een oud huis met véél onderhoud, onpraktisch en slecht geïsoleerd, dat – ook nu weer – tot hoge stookkosten leidt. De laatste predikant in deze pastorie, Willem Jan Teunissen (1993 van Krabbendijke – 2002 emeritaat), gaat met emeritaat en daarom wordt door de kerkvoogden omgezien naar een betere en geriefelijker woning, die gevonden wordt door de aankoop van een nieuw te bouwen woning aan de Rembrandtstraat 22. De pastorie aan de Burgemeester van Engelenweg is eerst verkocht aan een projectontwikkelaar, maar gelukkig niet gesloopt en nu in handen van een particulier. Op Rembrandtstraat 22 komt ds. Rudolf Veldman (2003 van Ouddorp – 2008 naar Sint Anthoniepolder) wonen.

Eind 1964 komt als vervanging van de oude pastorie aan het begin van de Dorpsweg de pastorie aan de Erfgenamenstraat 55 gereed. De eerste bewoner is ds. Jacob Jongerden (1964 van Bruchem-Kerkwijk – 1968 naar Wijk bij Heusden) die eerst nog even in de pastorie aan de Dorpsweg heeft gewoond. Nadat ds. Van der Velden de pastorie in 2003 in verband met zijn ophanden zijnde emeritaat verlaten heeft, is dit huis enige tijd verhuurd aan derden, waarna het in 2005 wordt verkocht.

In 1996 wordt besloten om voor de derde predikantsplaats ook een eigen pastorie te laten bouwen aan de Kreeft 2 in de nieuwe wijk Zeegraven. De eerste bewoners in deze pastorie zijn het gezin van ds. A. Baas (1997 van Ermelo – 2002 naar Alblasserdam). In deze vijf jaren bezit de gemeente dus drie pastorieën.