Dorpskerk

Vensterafbeelding Stoelen en banken

Onder stoelen of banken

Natuurlijk staan er in de kerk stoelen en banken. En we willen tegenwoordig ook wel graag een beetje comfortabel zitten. 965 zitplaatsen telt de kerk officieel.

1100

1200

1300

1400

1500

1600

1700

1800

1900

Nu

In dit venster

In de kerk kun je fijn zitten. En we kunnen het best meer dan een uur volhouden. Maar zo fijn als tegenwoordig, is het niet altijd geweest. Een staanplaats, een klein klapstoeltje, met z’n tienen in een zespersoons bank, tocht, koude voeten, er is van alles over te vertellen.

Stoelen en banken in de kerk

Er staan van oudsher stoelen en banken in de dorpskerk. Maar wellicht is het hier heel vroeger ook gebruikelijk geweest dat er langs de muren banken hebben gestaan en dat het grootste deel van de kerk gevuld kon worden met meegebrachte of door de koster geplaatste en verhuurde kerkstoeltjes. Ook is het niet ongebruikelijk dat kerkgangers blijven staan of juist op de grond gaan zitten. Concrete aanwijzingen zijn er echter niet, maar duidelijk is dat er bovenop de zestig graven in de kerk geen vaste banken of stoelen hebben gestaan.

In 1681 wordt aan meester Jacob Daniels, de vervaardiger van de kansel, bijna 20 gulden betaald voor geleverd hout ‘tot enige banken’. In 1704 vergaderen de heren erfgenamen van IJsselmuiden en dragen de kerkmeester op ‘om een bekwame fatsoenlijke stoele naast de stoel van de heer Blanckvoort tot den Hogen Huis in de kerk van IJsselmuiden te doen maken ten dienste van de representatieve binnen erfgenamen’. Er is dan dus al een herengestoelte voor de bewoners van het Hoge Huis, maar de overige (kerkgaande) erfgenamen wensen ook een voorname zitplaats. Een half jaar later ontvangt Mathijs van Mastrigh anderhalve gulden voor het verven van enige letters op dit gestoelte en nog weer iets later wordt aan ene Morre de rekening van 49 gulden en 16 stuivers betaald voor het maken van ‘het nieuwgemaakte gestoelte voor in de kerk van IJsselmuiden voor de heeren erfgenamen’.

Al in 1739 blijkt dat de heren erfgenamen nagenoeg geen gebruik (meer) maken van de bank. Dat kan heel goed komen, doordat de erfgenamen van IJsselmuiden geen inwoners van het dorp zijn, maar voornamelijk in Kampen wonen en kerken. Zes plaatsen in deze bank worden nu verkocht voor 1 gulden per stuk: ‘Ontvangen van Hendrik Reusel, Gerrit Jansen Koetsier, Hermanis Reusel, Hermen Roelofs, Willem Klasen, Gerrit Assis die zij allen gekocht hebben voor de tijd van haar leven zes plaatsen in de voorste erfgenamenbankje, ieder voor een gulden, maakt F 6-0-0 / gekocht op den 14 December 1739.’

De erfgenamenbank stond tegenover de preekstoel, tegen de noordmuur, ongeveer 3 meter vanaf de muur tegen de toren. Op 20 juli 1771 koopt baron Alard Johan Gansneb gnt. Tengnagel een begraafplaats in de kerk ‘ter lengte van twee en ter breedte van 3 groeven en plaats voor ruim 6 groeven, strekkende ten zuiden aan de groeve 2 en 4, ten Noorden aan de kerkmure, ten Westen aan de toren en ten Oosten aan de erfgenamen gestoelten’.

In de ‘Aantekeningen van de Erfgenamen’ (Toegang 109 inv.nr. 1) staat dat op 27 december 1780 is besloten dat voor een zitplaats in een bank van de kerk betaald zal moeten worden 36 stuivers, waarvan 24 stuivers voor de kerk en 12 stuivers voor de koster. Voor een stoel moet 24 stuivers betaald worden, waarvan 18 stuivers voor de kerk, en 6 voor de koster. Er is dan dus al duidelijk sprake van zitplaatsenverhuur.

De schout van IJsselmuiden, H. Otten Huslij, eigenaar van het Hoge huis gaat in oktober 1795 over tot de verkoop van zijn ‘huis en hof van oudts genaamd de havezate Het Hooge Huis’. Hij verkoopt het met alles erop en eraan aan het echtpaar Frans Diks en Maria Jans Kalter. Deze Frans verkoopt daarop meteen ‘voor eene somma van vijftig Caroli guldens aan Hermanus Folkers, Jacob Jansen Foks, Bartelt Harmens Last, Jan Alberts, Jan Adolf Bruinier, Willem Gerrits, Jacob Gerrits Brink en Jan Casper, een gestoelte bestaande uit twee banken in de IJsselmuider kerk, bevorens gehoord hebbende bij de havezate Het Hooge Huis, en door hem comparant volgens onderhands koopcontract van den eigenaar van voor gemelde havezate aangekocht’. Wanneer we in aanmerking nemen dat Frans en Maria van katholieke huize zijn, is het niet vreemd dat zij geen belang hebben bij een bank, hoe mooi en comfortabel ook, in de dorpskerk. Het zijn voornamelijk kerkenraadsleden die een plek in deze banken weten te bemachtigen, dus het is best mogelijk dat dit voortaan de kerkenraadsbanken zijn. In 1805, wanneer de zitplaatsenverhuur opnieuw wordt omschreven, is er sprake van bijvoorbeeld ‘den zitplaats no 17 in de gewesen Erfgenamen, nu Kerkenbank’.

Huurplaatsen en eigen zitplaatsen

Zitplaatsenverhuur is, zoals we zagen, in 1780 al een begrip. Over de oorsprong weten we niets, maar achter in het rekeningenboek uit 1780 tot 1806 staat een zogenaamde memorie van de ontvangen penningen van de begevene zitplaatsen in de kerk over deze jaren. Het betreft alleen een administratie betreffende welke stoelen of plekken in de banken zijn verhuurd. In het voorgaande rekeningenboek dat loopt tot 1751 vinden we niets over zitplaatsenverhuur (behalve de plekken in de erfgenamenbanken).

Eind achttiende eeuw beurt de kerkmeester jaarlijks 18 gulden aan stoelengeld (plaatsverhuur). Rond 1805 worden er kennelijk een heleboel stoelen aangeschaft. Vanaf dat moment bedraagt de door de koster geïnde opbrengst van ‘de jaarlijksche zitgeld van vrouwen en manszitplaatsen’ ruim 90 gulden per jaar.

Verschillende gemeenteleden huren geen zitplaatsen, maar hebben die in eigendom. Deze ‘eigen plaatsen’ zijn zelfs verhandelbaar. De erfgenamen van Gerhard Bondam en Anna Kok verkopen in 1834 de bezittingen, waaronder een bank met zes zitplaatsen in de kerk op het koor.

In 1805 en 1806 zien we rekeningen die ‘kerkstoelen’ betreffen. Worden op dat moment oude stoelen vervangen of zijn dit de eerste stoelen die door de kerk worden aangeschaft?

18 november – Voor ’t halen van 13 kerkstoelen uijt de botschuiver                      F 0-4-0

6 december – Voor ’t halen van 44 kerkstoelen                                                    F 0-6-0

17 februari – voor kerkstoelen halen van twee differente reisen                            F 0-9-8

Beerend van Marle vragt voor ’t mede brengen van 134 kerkstoelen                     F 8-8-0

1806 – Voor ’t halen van kerk stoelen                                                                  F 0-12-0

De weduwe Stijfjes op rekening van de geleverde 136 kerk stoelen in 1805          F 100-0-0

Zitplaatsenbeleid

De kerkmeester tekent op 14 juli 1805 op dat er duidelijkheid moet worden verschaft in het ‘zitplaatsenbeleid’. De kerk wordt verdeeld in vakken en de banken en rijen stoelen krijgen een letter en de zitplaatsen een nummer. Zo is uiteindelijk iedere zitplaats aan te wijzen.

Nu wordt bepaald wat de huurprijs is van zitplaatsen in bepaalde vakken. Er is sprake van de kerkmeestersbank, het vak voor de bank van Balland, stoelen op het koor, het vak voor de gewezen erfgenamenbank, zitplaatsen in de voorste korte kerkenbanken onder de Galderije en het vak voor de korte kerkenbanken in de graffener hoek. Goedkope plekken kosten 4 stuivers, de duurdere 8 stuivers en de rest daar tussenin.

‘De eenderleij stoelen zullen door de kerkmeester worden vervaardigt, voor rekening van de kerk; en vak voor vak worden ingevoerd, zullende de eigenaar van deszelver zitplaats uijt haar privé beurs daar toe worden betaald 12 stuivers. Minder vermogende of onwilligen zullen ’s jaars boven haar belasting 2 stuivers betaalen tot tijd en wijlen dat hetzelve is voldaan.’

De heren stellen verder een uitgebreid reglement op. Gezien al deze aantekeningen en administratie is het verhuren en/of verkopen van zitplaatsen een belangrijke aangelegenheid. Eén van de regels is, dat voor ieder huishouden geldt dat men voor vrouw en kinderen maar twee zitplaatsen mag hebben en verder één manszitplaats. Hoe groot het gezin ook is, er zijn drie plekken voor hen. Wellicht zaten er heel wat kinderen op schoot, op de grond, onder de stoel of in het gangpad…

De Kerkvoogden leggen rond 1830 aan het Provinciaal College van Toezicht uit dat er maar heel weinig plaatsengeld binnen komt. Het gaat hier om de zitplaatsenverhuur. Ze schrijven dat gemeenteleden ‘ook met de beste wil niet kunnen betalen, vooral niet in deze jaren waarin men hier algemeen de allertreurigste gevolgen van de overstroming van 1825 ondervindt’. Slechte opbrengsten van weide- en hooiland, bedorven bouwgronden, de russchen verdwenen en de twiegwaarden in een kwijnende en stervende toestand, alsmede het turven in de Koekoek verboden. Zouden gemeenteleden gedwongen worden om plaatsengeld te betalen, dan bestaat de kans dat zij in Kampen gaan kerken (waar ruimte genoeg is) zodat óók nog de collecteopbrengsten gemist zullen gaan worden.

Op 18 oktober 1886 heeft het college van Kerkvoogden en Notabelen een nieuw regelement ten aanzien van de zitplaatsenverhuur opgesteld en aangenomen. In 1912 moet dit opnieuw in verband met de uitbreiding van de kerk. De huur wordt met tien procent verhoogd vanwege de luxe van centrale verwarming in de kerk. Brengt de plaatsenverhuur vóór 1912 jaarlijks ongeveer 2000 gulden op, na de uitbreiding beloopt dit bedrag tussen de vier en de zesduizend gulden.

Gecombineerde vergadering van Kerkvoogden en Notabelen

op 6 april 1911 des avonds om 7½ uur.

Besloten wordt de zitplaatsen met het oog op de vergrooting van het kerkgebouw ze dit jaar voor een half jaar te verhuren en wel tot 1 November 1911. Als de omstandigheden het toelaten zullen ze op 1 November (de Overijsselschen Dankdag voor het gewas) opnieuw voor een half jaar verhuurd worden.

Kamper Courant van Donderdag 20-04-1911

  • Gisteren had de jaarlijksche verhuring der zitplaatsen in de Hervormde Kerk te IJsselmuiden plaats. Met het oog op eventueele vergrooting van het kerkgebouw in den aanstaande zomer, konden de zitplaatsen niet langer dan tot 1 November a.s. verhuurd worden. Deze halfjaarlijksche verhuring van ongeveer 430 zitplaatsen bracht de belangrijke som van ƒ 1.925,50 op. Wel een bewijs dat vermeerdering van het aantal zitplaatsen geen weelde is.

(er zijn ook nog ongeveer 70 eigen plaatsen, die op dat moment per stuk 62 gulden per jaar opbrengen.)

Kamper Courant van Zondag 05-11-1911

  • Met den Dankdag werden de zitplaatsen in de Ned. Herv. Kerk te IJselmuiden weder voor een half jaar verhuurd. Bedroeg de opbrengst over het voorgaand half jaar ƒ 1.698,25 ditmaal brachten de plaatsen ƒ 1.782,75 op, zoodat deze over een geheel jaar voor de zeker niet onbelangrijke som van ƒ 3.481,00 verhuurd werden.

Vanaf 1962 tot aan de interieurvernieuwing van 1969 wordt het systeem van eigen plaatsen en plaatsverhuur geleidelijk aan afgeschaft, al gaat dit niet zonder slag of stoot. Gemeenteleden worden nu geacht in busjes ‘voor de vrije zitplaatsen’en via de jaarlijkse Vrijwillige Bijdrage een royale vergoeding te betalen voor de geboden ruimte en wat dies meer zij…