Dorpskerk

Vensterafbeelding Kosters

De kosters van de Dorpskerk

In en bij de kerk hoort een koster. Belast met de dagelijkse zorg voor het kerkgebouw en het klaarzetten van de verschillende voorwerpen voor de liturgische eredienst.

1100

1200

1300

1400

1500

1600

1700

1800

1900

Nu

In dit venster

Het woord koster komt van het Latijnse woord ‘custos’ dat bewaker betekent. Het is al een heel oud beroep en vaak gecombineerd met andere functies. Sinds de Reformatie en tot ver in de negentiende eeuw is de koster ook de schoolmeester en daarnaast vrijwel altijd ook de voorzanger, voorlezer, doodgraver en klokkenluider.

Vanwege de gecombineerde functie koster / schoolmeester, verenigd in één persoon, zal het in dit venster ook over het schoolmeesterschap en het onderwijs gaan. We beginnen er zelfs mee.

Onderwijs in IJsselmuiden, voor en net na de Reformatie

Ook in ons dorp IJsselmuiden wordt al vóór de Reformatie onderwijs gegeven aan kinderen. Van leerplicht is echter nog geen sprake, laat staan van een school met veel kinderen. Meestal wordt er les gegeven door de pastoor. Het onderwijs is nog geheel in handen van de kerk. In een dorpje als het onze is er slechts een dorpsschool. De pastoor heeft de leiding, dikwijls bijgestaan en/of vervangen door zijn helper. Het niveau zal bijzonder laag geweest zijn en de opkomst van kinderen evenzo…

De pastoor en zijn helper, alsmede de koster en alles wat verder met de kerk en met het onderwijs te maken heeft, vallen onder het bestuur van de ‘erfgenamen van IJsselmuiden’. Al ver voor de Reformatie schrijven de erfgenamen van IJsselmuiden in het Markeboek: ‘Anno vijfthien hondert negen ende dartich op den setsthienden dach aprilis, naementlycken op wonsdach nae Paesschen, is bij die gemeene erffgenamen van Isselmuiden overgegeven en eendrachtelijk overcoemen, dat men ziene pastoren noch cappellaenen in der kercken van Isselmuiden, noch eenige costeren annemen sall, noch toe laeten, dan met consent weten en believen der erffgenamen, en gemeene huijsluiden aldaer ter kercken hoerende, gelijck in allen anderen dorpen en plaatsen gebruikelijk is, en geholden wordt…’ Geen pastoor, noch kapelaan in de kerk van IJsselmuiden, noch enige koster, zal zonder toestemming van de erfgenamen worden aangenomen. Gemeenteleven is er duidelijk wel, maar over een eventuele vorm van onderwijs in deze periode in IJsselmuiden, is ons helaas vanuit geen enkele bron ook maar de kleinste aanwijzing overgeleverd. Uit de periode 1400-1560 zijn ons de namen van enkele kosters bekend, maar ook niet veel meer dan dat.

De laatste pastoor die IJsselmuiden dient (vóór de Reformatie) is Simon Johannes. Wellicht heeft hij dus ook enkele schoolkinderen onder zijn hoede. De koster is Wilhelmus Joannis van Hagenstein (Willem Jansen genoemd). In het oudste deel van het archief van het schoutambt van IJsselmuiden komen we Willem vanaf het jaar 1560 tegen als koster, als keurnoot en zelfs een enkele keer als onderschout. De kans is groot dat Willem het allemaal erg lastig heeft gevonden, al die veranderingen. Bij de komst van dominee Lanius in 1582 heeft IJsselmuiden weer een eigen zielenherder. IJsselmuiden is protestants. En Willem nog steeds koster. Het is niet bekend of Willem, die als één van de zeer weinigen lezen en schrijven kan, de pastoor tijdens en na de Reformatie heeft vervangen als schoolmeester.

De Reformatie (in Overijssel rond 1580) brengt veel veranderingen. Zeker ook in het onderwijs. Onmiddellijk ná de Reformatie is er in de kerkelijke vergaderingen (synoden) aandacht voor het schoolonderwijs. De gedoopte jeugd moet in de christelijke (gereformeerde) leer worden onderwezen. In het jaar 1584 zijn er in de stad Kampen al twee gewone lagere scholen waar zes leerkrachten werken. In IJsselmuiden komt het vast wat langzamer op gang, maar het gereformeerd onderwijs wordt wel geleidelijk aan vorm gegeven. De Overijsselse kerken besluiten in hun vergadering in 1580 dat er overal scholen moeten worden opgericht waarin de kinderen niet enkel lezen, schrijven ‘ende konsten’ leren, maar ook ‘voornemelick’ onderwezen zullen worden in de Catechismus. Het gaat om scholen voor basisonderwijs, waarbij het onderwijs in de christelijke leer zelfs als het voornaamste onderdeel aangemerkt wordt. In iedere gemeente moet er dus volgens de kerkleiding naar worden gestreefd, dat er gereformeerde scholen komen. De school en de schoolmeester hebben immers een cruciale rol in het verspreiden van het protestants gedachtegoed. Het verkondigen van het katholieke geloof in kerk en school wordt officieel – eerst door de kerk en later ook door de staat – verboden. Dat onder leiding van de schoolmeester de jeugd ook in de kerkdienst dient te verschijnen, is eveneens belangrijk. Het horen van het gepredikte Woord zowel als het onderwijs in de leer van de Schrift worden voor de jeugd van de kerk onmisbaar geacht. De schoolmeester laat de scholieren psalmen leren. ‘…den psalmen naer den noeten oft musyck wel recht leren.’ Schoolgaande kinderen gaan gemeentezang stimuleren. Want anders dan in de rooms-katholieke eredienst, gaat de schooljeugd met de gehéle gemeente zingen.

Uit de classicale acta van het eerste uur blijkt hoeveel aandacht deze regionale vergaderingen besteden aan schoolmeesters. Het examineren, het aannemen of afzetten en ook het tractement van de meester, alles komt aan de orde. Wat zijn de predikanten dikwijls bezorgd of een bepaalde schoolmeester wel bij machte is, of wat nog vaker voorkomt, wel van zin is, om ‘de jonckheydt te onderwysen in de godsalicheydt ende goede seden’. In de jaren 1618-1619 wordt in Dordrecht een Nationale Synode van de Gereformeerde kerk in de Verenigde Nederlanden gehouden. Theologen uit binnen- én buitenland buigen zich over vijf theologische kwesties, waarover verschil van inzicht is ontstaan binnen de kerk. De uitkomst van het theologisch debat wordt neergelegd in de zogenoemde Dordtse Leerregels. Van de predikanten, kosters én schoolmeesters wordt verlangd dat zij ook deze Leerregels onderschrijven, naast de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus. De schoolmeester moet dus aan een hele lijst eisen voldoen. Het gaat voornamelijk om zuiverheid in de leer. Daarnaast wordt van hen gevraagd: een godzalige levenswandel, ondertekening van de geloofsbelijdenis, lidmaatschap van de gereformeerde kerk, onderwerping aan de kerkelijke vermaning en (tenslotte!) didactische bekwaamheid.

De plaatselijke predikant en de schoolmeester onderhouden uit hoofde van hun ambt en functie nauw contact met elkaar, doordat de schoolmeestersplaats vrijwel altijd gekoppeld is aan het voorzangersambt, en in ieder geval sinds 1610 ook aan het kostersambt (en vaak ook aan dat van doodgraver en klokkenluider). Een sollicitant-schoolmeester zal daarom behalve op zijn kennis en vaardigheden als onderwijzer vast ook zijn getest op zijn vermogen de gemeente voor te zingen. Een welluidende stem bewijst trouwens niet alleen dienst in het kerkgebouw, maar ook, en misschien zelfs meer, in het klaslokaal.

De plaatselijke predikant speelt zowel bij de aanstelling als bij het ontslag van een schoolmeester een grote rol. Zijn voorspraak bij de classis is meestal doorslaggevend. Daarnaast kun je stellen, dat wereldlijke overheden als de schout, de drost, de plaatselijke erfgenamen of Ridderschap en Steden geen schoolmeester kunnen aanstellen zonder daarin de classis te kennen. Zij stellen dan misschien officieel wel aan, de kerkelijke overheid bepaalt wíe er wordt aangesteld.

Willem Jansen, coster toe Isselmuden

Rustig is het in IJsselmuiden niet, in deze jaren midden in de 80-jarige oorlog. Rondtrekkende troepen (Spaanse én Prinselijke) maken het platteland onveilig. In het begin van het jaar 1583 is ‘Willem Jansen, coster, gecoemen bij den erfgenamen van Isselmuden’. Hij komt daar om afspraken te maken over de opbouw van zijn woning. ‘Alzoe durch groete onverstandt ende quade luyden godt betert Isselmuiden verbrandt. Is daer Willem Jansen, coster toe Isselmuden, huis mede verbrandt.’ Ook zijn huis is dus verwoest door de rondtrekkende ‘kwade lieden’.

Willem is getrouwd geweest met Eerlandt. In een bepaald getuigenis voor het gerecht in november 1600 geeft zij aan ongeveer 53 jaar oud te zijn. Zij is dus rond het jaar 1547 geboren. Willem en Eerlandt hebben tenminste 5 kinderen gekregen. Gezien Willems ambt in 1560, moet hij wel vóór 1540 geboren zijn. Willem is ná 4 april 1583 en vóór september 1586 overleden. Op 11 juni 1588 lezen we in het archief van het schoutambt van ene ‘Jan Janssoen, coster van Isselmuijden’. Deze Jan is dus de officiële opvolger van Willem. Niet alleen als koster, maar ook als man van Eerlandt. In een verklaring van april 1589 meldt Eerlandt ongeveer 2 jaar daarvoor hertrouwd te zijn met Johan Jansz. In juli 1588 moet Eerlandt, de kosterin te IJsselmuiden, een getuigenis geven voor het gerecht. Zij verklaart onder ede het volgende: ‘Ik heb in 1586 omstreeks Michaelis (29 september) mijn woning in IJsselmuiden moeten verlaten wegens de ruiters en soldaten die in IJsselmuiden en Mastenbroek lagen. Ik bleef tot omstreeks Pasen 1587 in Kampen wonen. Ik heb in die tijd in IJsselmuiden niet getapt. In de zomer van 1586 heb ik wel drie keer 8 of soms 14 dagen mijn woning moeten verlaten en vluchten naar Kampen, wegens de narigheid door het krijgsvolk veroorzaakt.’ Het is niet helemaal duidelijk waarom zij deze verklaring afgelegd heeft, maar het geeft wel een beeld van de toestanden in deze tijd. Haar man Willem is hier al niet meer in beeld. Verder komen we er zo ook achter dat zij, naast het kosterschap, ook een tapperij (soort herberg) bestierd hebben.

Vanaf medio 1587 lijkt het weer iets leefbaarder te worden in en rond IJsselmuiden. Vanaf dat moment zijn er (met grote regelmaat) weer allerlei zaken die het gerecht van IJsselmuiden passeren en herstelt het ‘gewone leven’ zich weer enigszins. De nieuwe koster Jan is rond het jaar 1587 op ongeveer 21-jarige leeftijd getrouwd met de weduwe Eerlandt die dan al ongeveer 40 jaar is en vijf kinderen heeft. Samen krijgen zij nog een dochter, Wilhelmgen. In de jaren 1588 tot en met 1603 treedt Jan de koster veelvuldig op als getuige en/of keurnoot bij allerlei gerechtelijke zaken die in het Schoutambt van IJsselmuiden voorkomen. Enkele malen lezen wij dat Jan ‘een wete’, of een oproep, aan de kerkdeur van IJsselmuiden heeft aangeslagen. Wanneer mensen worden opgeroepen om te verschijnen voor het gerecht, maar men weet hun woon- of verblijfplaats niet, dan is dit een mogelijkheid. Een briefje aan de kerkdeur…

In de jaren 1602 en 1603 gaat de vreselijke ziekte ‘de pest’ rond. Ook veel inwoners van IJsselmuiden worden getroffen. In deze jaren worden heel wat testamenten opgemaakt van mensen die ‘zwaar ziek’ zijn of ‘lijdende aan de pest’. Koster Jan ontspringt de dans helaas ook niet. Is hij besmet geraakt omdat hij enkele malen getuige is bij het opmaken van een testament van een ‘pestlijder’? Ongeveer 37 jaar jong maakt nu ook hij zijn testament op. Zwaar ziek en ten overstaan van de predikant Hermannus Bierman en enkele getuigen wordt op 7 juni 1603 zijn laatste wil opgeschreven. In dit testament wordt ergens ‘wijlen zijn vrouw’ genoemd. Eerlandt is er dus ook al niet meer. In juli sterft ook Jan.

Gezien het bovenstaande verhaal, gaan we er vanuit dat de kosterswoning met aangebouwd schoollokaal is herbouwd of nieuw gebouwd vlak naast de dorpskerk.    

1603 - 1647 Van Ittersum en Teckelenburg

Bijna twee jaar na het overlijden van koster Jan Jansz wordt een nieuwe koster benoemd, Hans van Ittersum genaamd en ruim 50 jaar oud. Wie het kosterswerk in de tussenliggende periode heeft verricht weten we niet, maar dat zal de hulpkoster wel zijn geweest. Kosters die meerdere functies hebben binnen de gemeenschap en wellicht ook de schoolgaande kinderen onder hun hoede hebben, kunnen maar op één plek tegelijk zijn. Hulp van anderen is daarom onontbeerlijk. Iets over het ‘huishouden’ van Hans lezen we in 1592. Jenneken, de vrouw van Hans van Ittersum, getuigt in een zaak. Omdat ze langer dan 40 weken zwanger is hoeft ze de eed niet te doen. Zij verklaart dat er enige weversknechten in haar huis zijn geweest om een kan bier te drinken. Er is ook nog een aantal soldaten in haar huis, in een afzonderlijke gelagkamer. De getuigenis gaat over een ruzie die is ontstaan. Hans en zijn vrouw Jenneke hebben dus een tapperij aan huis, met meerdere kamers. Het wordt zelfs de herberg van Hans van Ittersum genoemd, waar in de regel ook openbare veilingen worden gehouden. Ook van Hans weten we niet helemaal zeker of hij als koster tevens schoolmeester is. Er zijn nergens concrete aanwijzingen voor gevonden. Maar ook wordt niemand anders in deze jaren ‘meester’ of iets dergelijks genoemd. Omdat koster / schoolmeester doorgaans een gecombineerde functie is, mogen we op z’n minst vermoeden dat ook Hans (en ook zijn voorgangers) dat dus wel zijn geweest.

In het jaar 1621 wordt Hans als koster opgevolgd door Arent Teckelenburg. Deze Arent is tevens de nieuwe schoolmeester en na aandringen en verdere bemoeienissen van de kerkelijke overheid in deze functie geplaatst. De eerste met name genoemde en als schoolmeester betitelde onderwijzer van IJsselmuiden!

Arent is ook de eerste die wordt betaald door de rentmeester van Salland. In ditzelfde jaar komen we hem ook tegen als ‘coster van IJselmuijden’. Arent is afkomstig uit Ommen en is ook daar al enkele jaren schoolmeester. Dankzij de getuigenis van zijn leeftijd in 1631, hij is dan 50 jaar, kunnen we stellen dat hij ongeveer is geboren in 1581 en dus rond de 40 jaar als hij naar IJsselmuiden komt. Arent wordt ook breder ingezet: als een van de weinigen in het dorp die kan lezen en schrijven, mag hij ook dienen binnen het gerecht.

De kerkmeester betaalt in opdracht van de erfgenamen van IJsselmuiden de koster: ‘noch is bij mij betaald aan die koster Tekelenburch zijn salaris jaarlijks twaalf goudguldens.’ Van 1621 tot 1642 wordt Arent Tecklenborch genoemd als schoolmeester in de rekeningen van de rentmeester van Salland. Zijn jaartractement is steeds 50 gulden. Terwijl de predikant 400 gulden per jaar mag ontvangen! Twee jaar later wordt zijn zoon Niclaes in deze functie genoemd en betaald. Arent is dan ruim 20 jaar meester geweest en inmiddels de 60 gepasseerd. 2 april 1623 verzoekt ‘Arent Teklenborg, coster tot Isselmuijden’, dat hem uit de inkomsten van de pastorie en vicariegoederen aldaar, gelden mochten toekomen als vergoeding voor enige geringe onkosten van reparatie die hij heeft moeten doen aan het huis van ‘de costerije’.

In de jaren 1644 tot en met 1646 betaalt de rentmeester vijftig gulden aan Niclaes Tecklenborch, schoolmeester tot IJsselmuiden. In het jaar 1647 wordt het bedrag uitbetaald aan twee meesters, Niclaes Teckelenburg én Jan Korteling. Vanaf 1648 is alleen Jan de koster/schoolmeester.

Vier op een rij van 1648 tot en met 1760

In 1648 wordt Jan Korteling de koster/schoolmeester van IJsselmuiden. Ook hij gaat dat doen voor een jaarlijks traktement van 50 gulden. En dat terwijl dominee Johannes Hidding 450 gulden per jaar beurt. Verschil moet er wezen, toch?

Bovenstaande bedragen worden betaald door de Rentmeester van Salland. De erfgenamen van IJsselmuiden betalen Jan echter een extra bijdrage van 22 gulden vanwege zijn kosterswerk. Verder wordt hij heel af en toe nog apart betaald voor allerlei (niet inbegrepen) werkzaamheden in en aan de kerk en toren.

Ook Jan Korteling is actief binnen het gerecht van IJsselmuiden. Regelmatig treedt hij op als keurnoot en in 1665 lezen we dat hij zelfs af en toe de schout vervangt. Ook dat zal een extra zakcentje opleveren. Uiteraard heeft Jan ook nog zijn eigen moestuin en wat kleinvee.

Vanaf 1670 komen we een zogenaamde ‘onderkoster’ tegen. Het is de hulp en vervanger van de koster/schoolmeester, die natuurlijk niet overal tegelijk kan zijn.

De administratie van de rentmeester laat ons zien dat Jan tot en met het jaar 1682 wordt betaald. In 1676 echter, lezen we al de volgende opmerking:

Het heeft u edele mogendheid geliefd aan Jan Korteling schoolmeester tot IJsselmuiden te accorderen dat hij, om zijn hoge ouderdom en armoet, in gelde zoude ontvangen zijn tractement a 50 gulden anno 1671 hetgeen in de rekening van dit jaar onbetaald is ingebracht…

Gezien het feit dat Jan in 1676 een hoge ouderdom heeft, schatten wij hem ten minste 65 jaar of ouder. Hij zal dan geboren zijn rond het jaar 1610. Hij wordt dan al een poosje bijgestaan door zijn zoon Hermen. Jan is dan zeker wel 80 jaar of ouder geworden.

Vanaf het jaar 1683 wordt deze zoon door de rentmeester betaald voor zijn hulp aan zijn vader op school. Hij krijgt vanaf nu 30 gulden per jaar. Daar is blijkbaar op 7 juni 1683 een afspraak over gemaakt.

leven toegeleijft ingevolge ordonantie van u edel mogende in dato den 7 juni 1683 jaarlijks ad F 30-

Zoon Hermen Korteling staat vader Jan niet alleen op school bij. Ook als werknemer van de kerk mag vader in het vele werk dat die functie vergt op z’n zoon rekenen. Vanaf 1674 krijgt Hermen van de erfgenamen zelfs een vast traktement.

Den 2 december 1672 Harmen Cortelinck voort opgraven van de karckroosters F0-12-0

Hermen Cortelink betaald zijn traktement als koster in 1674 en 1675 F 44-16-0

1679 – Den 24 april aan Hermen Cortelink voor klokken smeren betaald F 3-12-0

Vanaf 1679 krijgt vader Jan een half traktement uitbetaald door de kerkmeester. Dit is de eerste keer dat dit expliciet zo wordt genoemd. Jan en Hermen worden dan al zo’n jaar of 5 beiden uitbetaald. Ze ontvangen niet alleen hun traktement, maar ook vergoedingen voor allerlei andere werkzaamheden in en aan de kerk en toren.

Tot en met 1690 krijgen beiden op deze manier een half traktement. Het jaar 1691 geeft geen uitgaven aan de Kortelings weer. Vanaf 1692 krijgt Hermen het hele traktement, zijn vader is dan niet meer ‘in beeld’.

Hermen Korteling is, zoals we zagen, de zoon én de opvolger van Jan als koster/schoolmeester. Vanaf 1674 wordt hij officieel betaald als (hulp)koster en vanaf 1683 als schoolmeester, naast zijn vader Jan.

Hermen komen we vanaf 1665 tegen als keurnoot en tussen 1674 en 1680 regelmatig als de vervanger van de schout, of ook onderschout genoemd. Ook in de periode Hermen Korteling is er enkele malen sprake van een onderkoster (ene Willem Reindertsen). Verder is hij pachter van het rietkampje achter het Meer, dus ook hij doet meer dan lesgeven en de kerk vegen…

Hermen is weduwnaar geworden, omdat zijn vrouw Hillichjen Gerrits is overleden. Hij hertrouwt in 1681 en heeft dan nog twee minderjarige kinderen, Jan en Femmichjen, ‘bij zaliger Hillichjen Gerrits in echte verwekt, voor hun moederlijke goederen aan elk een ducatat of 5 Caroli gulden. Hij zal hen verder behoorlijk grootbrengen en met kost en kleren verzorgen’. Verder heeft Hermen in ieder geval nog een dochter, Alida.

‘Den 20 December goet gedaan aan Hermen Kortelinck zijn half jaar tractement zo verschenen is op Martini 1709 quitantie F 11-4-0.’ Het kostersloon is dan al ongeveer 50 jaar 22-8-0 per jaar en dus een halve eeuw ongewijzigd gebleven! Op 9 december 1710 wordt door de heren erfgenamen een verzoek van koster Hermen Korteling besproken. Hij wil met pensioen, maar niet zonder meer…

Door de hoge jaren en ouderdom Hermen Cortelink custos (koster) niet in staadt ware om sijne bedieninge als voorleser en voorsinger in de kerke als mede het houden van de schoole, waar te neemen, wel genegen sijnde dese bedieninge om voorschreven redenen needer te leggen (in de kantlijn staat: ‘Jan Molter tot custos en voorsinger aengestelt’) ende af te staan. Versoekende dat soo lange hij mochte in leven sijn tot sijn onderstant het tractement van 50 gulden ende hetgene tot het luyden der klocken stont, alsmede de halfscheit van de emolumenten (beloningen voor werk die buiten je normale salaris vallen) van de begrafenissen ende het setten der stoele mogten profiteren ende behouden.

Waar op gedelibereert sijnde is goetgevonden in plaatse van Hermen Cortelink weder tot custos aen te stellen Jan Molter op een tractement bij provisie van twee en twintig caroli gulden en 10 stuyvers, ende de halfscheit van de profiten van de begrafenissen ende het setten der stoelen, so lange Hermen Cortelink nog in leven is. Dewelcke de wederhelfte daar van ende het voorschreven tractement van 50 gulden int geheel ende dat van het luyden der klocken gedurende sijn leven is toegestaan. Sullende naar doode van meergemelte Cortelink alle de emolumenten en tractementen tot voorschreven bedijninge gehorende bij Jan Molter als dan genoten ende geprofiteert worden. (Bron: IJsselmuiden kerspelarchief HCO Toegang nr. 156 invnr. 144)

Het is de bedoeling dat Hermen dus nog wel enige werkzaamheden blijft verrichten. En na zijn overlijden blijft ook zijn weduwe dat doen. De nieuwe koster, Jan Molter, krijgt zelfs twee stuivers loonsverhoging en het werk op school neemt Molter in ieder geval volledig voor zijn rekening.

In 1713 is Hermen inmiddels overleden. Zijn weduwe ontvangt bijna vier gulden voor het smeren van de klok en het vegen van de kerk vegen voor Pasen 1713. December 1714 verdient ze nog als achterstallig loon voor het luiden van de klok ‘over den doot van Konink Wiliam’ een bedrag van ruim zestien gulden. Er is wellicht enkele dagen met grote regelmaat geluid, maar waarom dit bedrag zo hoog is blijft wat onduidelijk.

Wie Jan Molter precies is geweest, blijft onduidelijk. Vanaf 1669 komt er een Jan Molter voor in IJsselmuiden, die glazen maakt, dingen verft, de vensters van de pastorie schildert enz. In 1681 trouwt er een Jan Molter met Titia Hilarius. Ook hij kan het zijn.Verder komen er over een periode van 80 jaar meerdere Molters voor. De betekenis van het woord Molter is overigens ook glazenmaker.

Jan Molter is maar kort koster/schoolmeester geweest. Hij is namelijk al in 1715 overleden.

1 november 1715 – Ende is door de heer verwalter geproponeert dat door de dood van Jan Molter sedert eenige tijt het koster en schoolmeesterschap van IJsselmuyden vacerende was. Dat daar toe weder een bequaam persoon om kerke en schooldynst waar te neemen, hoe eer hoe beter, wyrde aengestelt.

De erfgenamen vergaderen over de vraag of ze de koster/schoolmeester wel de 22 gulden en 10 stuivers zullen blijven betalen, gezien de geringe opbrengsten van de kerkengoederen en de grote lasten van de kerk. Gelukkig wil de meerderheid de salariëring toch niet stop zetten. Verder wordt besloten op 8 november de sollicitanten te gaan spreken én beluisteren in de kerk. Ze moeten namelijk ook goed kunnen lezen en zingen. ‘Ende hebben verscheidene sollicitanten haar laten hooren, so int voorsingen als voorleesen, ende aldaar geschreven’.

Op de vergadering van 23 november 1715 hebben de binnenerfgenamen besloten om tot koster en schoolmeester te benoemen Henrick Brunyr (Hendrik Bruinier) en verder dat ‘de weduwe van de gewesene koster Kortelink tot paaschen aenstaande off mey 1715 in de camer ter woon mogen blijven’.

Hendrik Bruinier is geboren rond 1680 in Mastenbroek en een zoon van Hermen Etsardt Bruinier en Jantje Adams la Fosse. Vader Hermen was schoolmeester aan de Kamperzeedijk. In het jaar 1704 overlijdt Hermen en zoon Hendrik volgt hem op als meester van de Zeedijk. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij dit maar kort gedaan, want in 1706 doet hij belijdenis in Kampen en in juni 1707 komt Hendrik Bruinier met attestatie van Kampen en wordt te Zwolle ingeschreven. In Zwolle trouwt hij en verkrijgt hij ook het kleine burgerschap.

Wilmina Hommers, jonge dochter, wonende te Zwol, ondertrouwt op 12 april 1710 Henrik Brunier, jonge man van Mastenbroek. Er is attestatie gegeven om te Mastenbroek te trouwen op 27 april 1710.

In 1711 en 1713 worden twee kinderen gedoopt, maar in 1713 overlijdt Wilmina en ‘is begraven de vrouw van Hendrik Bruinier op het Grote Kerkhof bij de toorndeure aan de zuidzijde’. Kort daarna overlijdt ook een kind.

Op 6 mei 1713 gaan in ondertrouw te Zwolle Hendrik Bruinier, weduwnaar, en Anna Katrina Mensink. Zij huwen te Zwolle op 21 mei 1713. In 1714 laten zij een zoon dopen.

Het lidmatenboek van Zwolle vermeldt dat ‘op 1 december 1715 Hendrik Bruinier met attestatie naar Iselmuiden gaat’. Hij wordt daar namelijk koster/schoolmeester!

Vanaf 1716 is ook deze nieuwe koster de pachter van het rietkampje achter het Meer voor f 1,80 per jaar. Hij blijft dit tot zijn dood. Verder komen we Bruinier tegen als hij aan het werk is voor de erfgenamen, wanneer hij belastinggeld bij de inwoners langs haalt. Voor de kerk doet hij klussen als schoonmaken, klok smeren en ingezakte graven opvullen.

In 1729 daagt hij de predikant voor het gericht. Dominee Frankena heeft een eigen kind moeten begraven en in verband daarmee heeft koster Hendrik Bruinier ‘doen citeren de predikant Frankena en heeft van zijn eerwaarde geeijst betaling van hetgeen hem als koster zou competeren wegens het begraven van gedaagdens kind, daarvoor eisende voor het verzetten van de stoelen en banken, voor de zerk op te nemen, voor het toeleggen van de zerk en voor het luiden een totaalbedrag van f 5,40.’ De dominee wil dit echter niet betalen, maar vindt een bedrag van f 2,10 wel redelijk én zegt ook nog eens dat hij helemaal geen opdracht heeft gegeven om te luiden (alsof dat er niet vanzelfsprekend bij hoort…). De dominee verliest de zaak.                                            

Met Anna krijgt Hendrik zes kinderen. Maar ook deze moeder sterft al vrij jong. Hendrik hertrouwt op 20 december 1739 in de Broederkerk te Kampen met Hendrikje Hendriks van Kamperveen. Zij krijgen samen nog 1 kind, al is Hendrik dan al bijna 60 jaar oud.

Tot Isselmuden, 14 dec 1739   Jan van der Merwede, Scholtis van IJsselmuiden.

Verschenen is Hendrik Bruinier, custos alhier, wil hertrouwen. Hij bewijst aan zijn 5 minderjarige kinderen (Annegien, Margarita, Wilmina, Johannis Adolf en Christina Bruinier), bij zijn overleden vrouw Christina Mensink van Aenbeuk in echte verwekt, aan Annegien een bijbel, op de 4 hoeken met zilver beslagen, dit als zij daarvoor 4 gulden uitkeert. Margreta en Wilmina krijgen een stuffies jack en een damasten rok, en ieder 5 gulden, alsmede de 4 gulden, die Annegien zal uitkeren. Johannis Adolf en Christina krijgen elk 15 Caroli gulden. Het geld zal onder de vader blijven berusten tot de kinderen mondig zijn geworden of als zij gaan trouwen. De vader zal zijn 5 voornoemde kinderen laten leren lezen en schrijven, en alimenteren volgens zijn mogelijkheden, dit zoals een vader verplicht is voor zijn kinderen te doen. Tot voogden worden aangesteld Hendr. Reusel en Gerrit Jansen Koetsier. Deze nemen de voogdijschap met handtasting aan.

Hoewel Hendrik hertrouwt, gaat het eigenlijk helemaal niet goed met hem. Hij wordt al lange tijd geweerd van het avondmaal, vanwege begane misdaden die verder niet benoemd worden in de ‘handelingen van de kerkeraad’. In augustus 1739 vraagt hij ‘onder betuiging dat het hem leet was’ dat hij al zolang onder censuur staat, of hij weer toegelaten mag worden. De kerkenraad vindt dit echter ‘een kreupel en gebrekkig verzoek’ en mist bij hem het ‘verzoeken met betuiging van berouw, en leedwezen voor God en mensen over de begane misdaden en met belofte van beterschap des levens’. Begin november komt Hendrik met een nieuw verzoek en nu gebruikt hij wel de juiste woorden. Het vieren van het avondmaal wordt hem nu toegestaan ‘onder die voorwaarde dat men zijn levensgedrag tot aan Kerstmis zouden gadeslaan, om te zien of het beantwoorde aan zijn gedane betuiging’. Nog net voor de huwelijksdag is koster Bruinier dus gerehabiliteerd!

Helaas lezen we na een jaar al weer slecht nieuws over hem in de kerkenraadsnotulen. Gemeenteleden hebben aangegeven dat de koster en zijn vrouw leven als kat en hond. Een getuige vertelt ‘dat hij de custos tegen zijn vrouw heeft horen kijven schelden, en dreigen op den 18 … en onder anderen deze bewoordingen gebruikten dat zij een hoer en teve was en zo te niet wilde zwijgen hij zoude haar de kop inslaan, waarop zij hem scheldende voor een groot bek, hij geantwoord had hij zoude zulks te nacht den twaalft uur eens zeggen dan zoude het anders gaan.’ Opnieuw besluit de kerkenraad hem de toegang tot ’s Heeren Tafel te ontzeggen en zodoende dus onder censuur te plaatsen. En verder volgt er uiteraard een heel stevig gesprek. In 1746 wordt het echtpaar weer voor het eerst toegelaten tot het avondmaal en hebben dus blijkbaar geleerd hoe een koster/schoolmeester zich op een waardige manier dient te gedragen.

Rond 1750, Hendrik is dan rond de zeventig, komt het steeds vaker voor dat een van zijn zonen wordt betaald voor diverse werkzaamheden in en rondom de kerk. Tien jaar later melden de boeken ineens dat ‘door het overlijden van Hendrik Bruinier is komen te vaceeren de schoolmeester en kosters plaatse’. Wat heeft hij het ongelofelijk lang volgehouden; 45 jaar koster/schoolmeester en dat tot op zo’n hoge leeftijd.

De markenrigter (voorzitter van de erfgenamen) gaat door middel van een ‘advertissement in de Amsterdamsche Courant deese vacature bekend te maken ten einde een ieder daartoe de vereischte bequaamheid hebbende sig daarover kan addresseren bij de erfgenamen’. Zes weken later komen er sollicitanten in de kerk om te zingen, lezen en schrijven. Schijnbaar gaat het nog niet heel vlot allemaal, maar op 21 mei 1761 wordt tot schoolmeester van IJsselmuiden Evert Baarlink aangesteld. Een goed keus, want ook deze man zal bijna 40 jaar aanblijven.

Evert Baarlink, koster onder een nieuw reglement

In de vacante periode is wel de tijd genomen om een reglement op stellen, zodat duidelijk is wat er van een koster/schoolmeester mag worden verwacht. 

Den 27 october 1760. De Heren Verhagen, van der Merwede en Schultz hebben, ingevolge resolutie commissoriaal van den 13 october jongstleden, ter vergadering geexhibeerd en laten lesen een profecte instructie waar naar sij vermeinden dat de aan te stellene koster en schoolmeester sig behoorde te gedragen, so in opsigte van zijnen dienst als in het vorderen van hetgeen hem volgens oudere gewoonte zal competeren.

In de eerste plaatse zal deselve sig exactelijk hebben te reguleren na de schoolorders van Ridderschap en Steden so reets zijn gearresteerd, en die dienaangaande nog mogten gearresteerd ende beraamd worden.

Dezelve zal gehouden sijn pertenente aantekeninge te moeten houden van de naamen van de doden, wanneer en waar ter plaatse deselve zijn begraven, zullende ten dien einde tot voorkominge van alle disordres en verwarringe in de graven niemand eenig graf mogen graven voor en aleer de naam van de dode hebben aangegeven aan de koster die alsdan zal hebben aan te wijzen de plaatse op het kerkhoff, waar het graf zal moeten worden gemaakt.

Voorts zal hij naaukeurig hebben te letten dat de gravers van het graf bij het graven de opgedolvene beenderen weder behoorlijk ter aarden worden besteld of op het kneukelhuisjen gebragt.

 Hij zal genieten volgens oude gewoonte van een dode in de kerk wordende begraven

  • voor het verzetten van stoelen en banken                                                                 1-8-0
  • van een zark op te neemen en te leggen                                                                   2-16-0
  • voor driemaal te luiden                                                                                            1-16-0
  • voor het graf te graven                                                                                            1-0-0
  • voor  het zetten van de bare                                                                                    0-6-0
  • voor het aanvullen van een ingevallen groeve, door den eigenaar te betalen             0-14-0
  • voor het luiden over een dode op kerkhoff wordende begraven
  • als meede voor het laken ende schoppen                                                                0-18-0
  • zullende daar en boven aan de diaconie so als van ouds gebruiklijk moeten
  • worden betaald van het beste laken eenen gulden en voor het slegte agt stuivers.
  • Voor het luiden over een kind op het kerkhoff wordende begraven                            0-6-0
  • voor het graven van een graf voor een uitheemsche                                                1-0-0
  • voor het bergen en bewaaren van de lakens waar van koomt aan de diaconie
  • van het beste eenen gulden agtien stuivers
  • en van het slegte eenen gulden ses stuivers zal de koster genieten                                       
  • en voor het luiden over deselve, als meede voor het laken
  • so veel als hier boven is vermelt.
  • Edog over diegeene die van de diaconie zijn onderhouden zal deselve verpligt
  • sijn te moeten luiden gratis sonder daarvan iets te pretenderen.

 

Van de stoelen aan vreemde en uitheemsche toebehorende zal jaarlijx aan de koster moeten worden betaald zes stuivers en van diegeene die bij vacature aan een vreemde of ingesetene sonder onderscheid sullen worden begeven twaalf stuivers.

Eindelijk zal deselve boven het tractement van de provintie uit de opkomsten van de kerk voor het stoffen en besem schoonhouden van deselve als meede voor het zetten van de stoelen jaarlijx genieten een somma van 12 gulden; voor het klokke-smeer 3 gulden en 12 stuivers; voor het schoffelen van het pad rontomme de kerk en het afmaien van het gras van het kerkhoff jaarlijx 2 gulden.

En vermits de ondervindinge heeft geleerd dat de onderscholten plaatse met de koster en schoolmeesters plaatse bijeen en deselve persoon niet wel en na behoren kon worden waargenomen, sonder verwaarlozinge en verzuim van de laatste, dat oversulx de koster en schoolmeester, ingeval de onderscholten plaatse aan hem ter eenigen tijd mogte opgedragen en bij hem geaccepteerd worden, de facto van sijnen dienst als koster en schoolmeester zal sijn vervallen en verstoken.

Waarop gedelibereerd sijnde is goedgevonden voorenstaande instructie in alles te approberen en te agreëren, en worden voorschreven heeren voor haare genomene moeite bedankt, sijnde voorts bij de erfgenamen goedgevonden om dese instructie de schoolmeesters en kosters plaatse te begeven.

Bron: IJsselmuiden kerspelarchief HCO Toegang nr. 156 inv.nr. 144.

Evert Jans Baarlink is geboren te Vollenhove en gedoopt aldaar op 6 augustus 1724 als zoon van Jan Egberts Baarlink en Trijntje Berents Bomhof.

Evert is kort na zijn benoeming getrouwd te IJsselmuiden op in november 1761 met een ver familielid, namelijk Hermina Baarlink, geboren rond 1739 te Wilsum. Zij krijgen vier kinderen, waarvan de eerste als kraamkind begraven wordt. De tweede is Geesje (gedoopt 29 juli 1764), de derde is Rutger (gedoopt 21 juni 1767) en de vierde Jan (gedoopt 16 juni 1771). Ook zoon Rutger moet al jong begraven worden op de leeftijd van 25 jaar. Wellicht was hij een serieuze jongen, die al op zijn zeventiende openbare geloofsbelijdenis deed. Iets wat nagenoeg niet voorkwam. Dochter Geesje is getrouwd geweest met Jan de Haas en daarna met Hermanus Bennink, die beide bleker waren. Zoon Jan, die lijkbezorger is, trouwt drie maal.

Koster Baarlink heeft twee graven in de kerk in eigendom. Graf nummer 5 koopt hij in 1792 voor 12 gulden om zijn zoon Rutger te begraven. In 1797 wordt hierin zijn schoondochter, de eerste vrouw van zoon Jan, begraven. Ruim een jaar later ook een kleinzoon en nog geen jaar daarna een kleindochter. Zo zien we vier maal een begrafenis in één en hetzelfde graf binnen zeven jaar.

Het andere graf dat wordt gekocht is nummer 12. In het jaar 1800 wordt Evert daar zelf in begraven. ‘Twaalfde groeve – 1800 den 11 februari Is deze groeve overgegaan aan Harmina Baarlink de weduwe Evert Baarlink en dezelve datum daar in begraven, haar eheman voornoemd E. Baarlink.

coster en schoolmeester te IJsselmuiden’. In dit graf wordt op 6 november 1804 zijn vrouw begraven en in 1806 schoonzoon Jan de Haas.

Evert heeft volgens het rekeningenboek als koster onder andere de volgende (buitengewone) werkzaamheden verricht:

  • het aflesen van een publicatie wegens besteding van de diaconije personen
  • het aflesen van een publicatie over de verkoping van de goederen van de wed E. Lamberts
  • het klaarmaken en zetten van de stoven voor de kerkenraad
  • bij den custos Evert Baarlink gecopieerd (bepaalde stukken van de erfgenamen)
  • het innen van pachtgelden
  • het bedienen van de erfgenamen
  • het publiceren van de schouwe over het kerkpad

 

Op 20 december 1793 melden de verhandelingen van de vergadering der Erfgenamen: ‘Op de rekwest van Evert Baarlink koster en schoolmeester van IJsselmuiden, verzoekende in aanmerking zijner hoog geklommen jaren en van het goed gedrag en de bekwaamheid van zijn zoon Jan Baarlink, dat de binnen erfgenamen goed vinden zijn zoon in geval van volkomen afstand of overlijden, voorgenoemde posten gunstig aan zoon doen toekomen. Was toegestaan wanneer suppliants zoon Jan Baarlink door goed gedrag en aanhoudende oefening het vertrouwen der binnen erfgenamen zal blijven verdienen, en anders niet.’

 Nog ruim zes jaar houdt de oude koster het vol. Begin februari 1800 overlijdt Evert op de leeftijd van 75 jaar. Zijn zoon Jan is overigens niet zijn opvolger. Dat wordt Tjibbe de Jong.

Koster/schoolmeesters in de Franse Tijd

In de Franse Tijd (1795-1813) is er driemaal een nieuwe koster/schoolmeester benoemd. In de samenleving is ondertussen van alles aan het veranderen, met name op bestuurlijk niveau, maar ook het mensbeeld als zodanig.

In het jaar 1800 is door de overheid het onderwijs als volgt gedefinieerd: ‘Het onderwijs op de Nationale Schoolen zal zich bepaalen tot het Leezen, Schrijven, en de eerste beginselen der Rekenkunde; zullende hetzelve zoodanig worden ingericht, dat het, door ontwikkeling van de verstandige vermogens der Kinderen, geschikt zij, om hen tot redelijke wezens te vormen, en wijders om in hunnen harten in te prenten de kennis en het gevoel van dat alles, wat zij aan het Opperwezen, aan de Maatschappij, aan hunne Ouderen, aan zich zelven, en aan hunne Medemenschen verschuldigd zijn…’  

In ditzelfde jaar 1800 verschijnt Tjibbe de Jong op het IJsselmuider toneel. Hij is in 1796 de schoolmeester van Jonen en Dwarsgracht, wanneer hij in juni van dat jaar de nieuwe meester wordt van de school aan de Kamperzeedijk. Vier jaar later wordt het dan IJsselmuiden.

Tjibbe Jans de Jong is gedoopt op 15 januari 1776 in Oudeschoot (Schoterland / onder Heerenveen) als zoon van Jan Roelofs de Jong en Jantje Tjibbes. In IJsselmuiden vindt hij het geluk en trouwt op 8 juli 1801 te Grafhorst met de 19-jarige Engeltje van der Woude. Bij dit huwelijk wordt opgetekend: ‘Doch door verhindering van een zwaare ziekte van de bruid zijn dezelve heeden alhier getrouwt’. Helaas sterft Engeltje na ruim zeven maanden huwelijk, nog net geen twintig jaar.

‘20 feb is overleden en 26 feb begraven Engeltje van der Woude, geliefde huisvrouw van Tjebbe de Jong, schoolmr. te IJsselmuiden, in No. 46 begraven, 2 verdiepings.’

In februari 1803 hertrouwt Tjibbe met de Kamperse Willemina van den Belt waarbij hij vier kinderen krijgt (waarvan de eerste maar drie maanden oud wordt).

Na een jaar of zes dienstbaar te zijn geweest in IJsselmuiden, denkt Tjibbe het (al weer) elders beter te kunnen krijgen. Hij vertrekt met zijn gezin naar Heerde waar hij op 1 maart 1806 wordt ingeschreven. In het tijdschrift ‘Bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in Holland’ (uitgave maart 1807) en dan onder de rubriek schoolberichten, staat het volgende: ‘Januari 1807. IJsselmuiden. Door het vertrek van T. de Jong is de Schoolmeesters-plaats alhier vacant geworden. Het tractement met de emolumenten (beloningen voor werk die buiten het normale salaris vallen) bedraagt nagenoeg f 300. De sollicitanten, liefst van den tweeden en niet minder dan van de derden rang, worden verzocht zich uiterlijk op den 19 april met de vereischte getuigschriften te vervoegen bij den schout aldaar.’

Ook in Heerde heeft Tjibbe echter veel zorgen. In 1813 overlijdt zijn tweede vrouw, Willemina, en in 1816 zijn jongste zoontje Evert. In 1826 hertrouwt hij met Woltina Buitenweerd, 35 jaar jong, die hem nog een dochter schenkt. Helaas sterft Woltina in het kraambed, zodat dit huwelijk slechts een goed jaar heeft geduurd. Tenslotte melden wij dat Tjibbe is overleden op 26 augustus 1833 te Heerde (57 jaar oud), beroep schoolmeester / onderwijzer.

Begin 1806 is de koster/schoolmeester plaats dus vacant geworden. Er zal meteen een beroep zijn gedaan op een tijdelijke vervanger. Het duurt geruime tijd voordat het bestuur van IJsselmuiden over gaat tot het zoeken naar een opvolger.

De Franse Tijd heeft ook gevolgen voor de positie van de koster/schoolmeester. Eind 1807 wordt een nieuwe schoolmeester benoemd, Helmich van Kuik, die tevens koster van de kerk zal zijn. Deze functie is namelijk al eeuwen een gecombineerde baan en de benoeming is een aangelegenheid van de erfgenamen. Hij wordt de opvolger van Tjibbe de Jong. Maar, voor het eerst zijn nu de erfgenamen niet meer in beeld en het initiatief ‘tot het beroepen van een en schoolmeester en koster alhier’ wordt genomen door de schout D.G. Escher. De schout verzoekt de kerkenraad om een manslidmatenvergadering te organiseren ten einde ‘een Commissie te benoemen, die met deze werkzaamheden zouden gechargeerd zijn’. De vergadering wordt gehouden op 1 september 1807 en de aanwezige leden ‘dragen met eenparigheid van stemmen het doen van deze beroeping op aan de kerkenraad’.

De daadwerkelijke commissie wordt nu gevormd door de kerkenraad, de schout, drie erbij gekozen gezworenen en een afgevaardigde van de magistraat van de stad Grafhorst.

De commissie vergadert op 8 september onder voorzitterschap van de schout. Dominee Heppener wordt benoemd tot secretaris. Het Reglement ter beroeping van een Koster en Schoolmeester wordt erbij gepakt, evenals de besluiten van het departementaal Bestuur van den Ouden IJssel. Door schout Escher is enkele weken terug al een advertentie geplaatst, waar slechts twee schoolmeesters op hebben gereageerd. De ene is echter inmiddels aangesteld in Hasselt, zodat alleen sollicitant T. Springstok uit Zwolle overblijft. Omdat de spoeling te dun is, wordt besloten de Landdrost ‘te verzoeken, of niet in zoo verre van de wetten des lands ter dezen opzichte mocht afgeweken worden, om voorwerpen van den 4en rang mede als sollicitanten aan te merken, en zoo met voorschreven sollicitanten eene nominatie ten minsten van drie te formeeren, om daar uit eene keuze te doen’.

De Landdrost gaat akkoord, maar adviseert nu te wachten tot na 14 oktober, wanneer er weer examens worden afgelegd door meesters van de vierde rang, die hopen op te klimmen tot de derde rang. Vandaar dat er pas weer op 19 oktober wordt vergaderd. Er zijn nu in totaal vijf sollicitanten, zelfs twee van de tweede rang ‘zoodat de vergadering thans een genoegzaam getal sollicitanten had, tot het doen van eener keuse’. Na enige discussie wordt besloten dat de sollicitanten de aanstaande zondag in de eredienst zullen laten horen hoe hun kwaliteiten als voorzanger en voorlezer zijn en dat er informatie wordt ingewonnen bij de schoolopziener aangaande de sollicitanten. Wanneer dit goed uitpakt mogen de heren twee weken later ‘op den 28e dezer alhier in de vergadering te compareeren en geexamineerd te worden ten overstaan dezer vergadering’.

De 28e oktober breekt aan en naast elf commissieleden is de schoolopziener aanwezig. Er komen echter maar drie sollicitanten opdagen, waarvan één meester zich ter plekke nog terugtrekt. Er blijven twee sollicitanten over, zodat de schoolopziener het niet nodig acht deze beide heren te examineren. Ze zijn beide geëxamineerd door ‘de School-Commissie van dit District’ en beide krijgen een gunstig rapport.

‘De leden gingen daarop gezamenlijk uit de Pastorij, waar zij dus heden vergaderd geweest waaren, naar de kerk met de 2 sollicitanten, alwaar zij de zelven nochmaals openlijk lieten leezen en zingen. Waarna de Sollicitanten en verdere tegenwoordig zijnde persoonen verzocht wierden de kerk te verlaten. De President stelde toen voor om terstond tot het doen der beroeping over te gaan, waarop met éénpaarige stemmen beroepen wierd tot Schoolmeester en Koster alhier Helmich van Kuik, thans schoolmeester te Brunnepe.’

Helmich van Kuik is bijna drie jaar schoolmeester en koster, wanneer hij meent te moeten gaan vertrekken naar Kampen. In de kerkenraadshandelingen wordt slechts opgemerkt dat ‘op dezelfde wijze als in de voorige vacatuur / zie acten van 1807 / met eenparigheid van stemmen tot schoolmeester en door den kerkenraad als voorzanger en koster beroepen Jacob Venema, Schoolmeester op Schokland.’

In het tijdschrift ‘Bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in Holland’ – in de uitgave van de grasmaand (april) – en dan onder de rubriek schoolberichten, staat bij Overijssel: ‘IJsselmuiden vacant, door het bedanken van H. van Kuik. De school is van den middelsten rang. De posten van Onderwijzer, Koster en Voorzanger geven een jaarlijksch inkomen van ten naasten bij f 500. De sollicitanten kunnen zich adresseren aan den Schout D.G. Esscher te Kampen.’ In de daaropvolgende uitgave kunnen we lezen: ‘Juli 1810. IJsselmuiden. De vacature alhier is vervuld geworden door de aanstelling van J. Venema, thans onderwijzer op Schokland, hebbende de Derden rang.’

Sinds 1807 is Venema schoolmeester van Ens op Schokland, maar nu zoekt hij het vaste land op. Jacob is geboren in 1786 te Nijeveen in Drenthe. Nog voor zijn vertrek van Schokland trouwt hij op 1 augustus 1810 te Ens met Annigje Elizabeth Andreae. Op 27 december 1810 wordt in IJsselmuiden zoon Nikolaas geboren. Helaas overlijdt na dertien maanden huwelijk Annigje en wordt ze begraven in de IJsselmuider dorpskerk. Op 9 november 1812 hertrouwt Jacob met Geesje Niemeijer, waarmee hij nog vier kinderen krijgt.

Nu kerk en staat in 1811 gescheiden worden, heeft Jacob ineens twee werkgevers. Als schoolmeester is hij in dienst van de burgerlijke gemeente en op de jaarrekening van 1814 staat: Tractement van den schoolmeester 346 gulden. Als koster, voorzanger en doodgraver is hij in dienst van de kerkelijke gemeente. Hij woont in de woning die aan de dorpsschool vastzit, pal naast de kerk. In 1808 schrijft de schout aan de drost onder andere: ‘Wat de Custos of Voorzanger betreft, hij geen penning van Lands weegen geniet en het Schoolhuis insgelijks gratis bewoond. Dat dezelve voor het schoonhouden van Kerk en Kerkhof ’s jaarlijks geniet f 17,= welke uit een gering fonts, het eigendom der Hervormden zijnde, betaald word, en uit welke Kerk, Pastorij, Schoolhuis zo veel moogelijk onderhouden worden.’

Nieuwe heren, nieuwe wetten

Het bestuur van de kerkelijke gemeente is, voor zover het de stoffelijke zaken betreft, in handen van de kerkmeester en de benoemde commissie. Dit is de voorloper van De Kerkvoogdij. Zij stellen een nieuw reglement op, behorende bij de functie van koster.

Op heden den 20ste november 1811 hebben wij kerkmeesters en commissie overwogen het rein houden der kerkhof en zo en voorts gedelibereerd om een instructie voor de koster te vervaardigen om deze ene daardoor tot zijne plicht te brengen, het welk luid als volgt:

Instructie voor den fungerende custos van de gereformeerde gemeente van IJsselmuiden en onderhoorige logies.

Artikel 1.

De custos zal zich in alles gehoorzamen en doen alles wat in billijkheid door de kerkmeester betrekkelijk de kerk aan hem gezegd word bij afwezigheid van dezelfde door de leden der commissie.

Artikel 2.

Op alle vergaderingen van de kerken commissie en kerkmeester zal de koster bij haar moeten zijn en ’t benodigde hen lieden bezorgen.

Artikel 3.

Bij alle godsdienst oefeningen en caterisatie zal den custos de deuren van de kerk en ’t hekje van ’t kerkhof behoorlijk voordat dezelve beginnen moeten open maken, en bij de caterisatie den dominee zulks verkiezende om op te zetten, een stoel van de kerkenstoelen voor den predikstoel bezorgen.

Artikel 4.

De custos zal alle week de kerkstoelen zetten behoorlijk op de nummers en ordentelijk ieder op zijn plaats en in een regte rij, vervolgens alle week uitstoffen de kerk, mansbanken en kanselaar en zo er verders door den kerkmeester nog iets mocht worden aanbevolen betrekkelijk het rein houden der kerk zal hij verplicht zijn hetzelve dadelijk aan den de kerkmeester ter kennis brengen en de orders als dan van den kerkmeester verwachten, zullende den custos (mits de benodigde materialen worden bezorgd) daarvoor jaarlijks genieten de somme van F12-

Artikel 5.

Alle jaren met pasen zal den custos de kronen in de kerk moeten schuren, genieten jaarlijks daar voor F4-6-

Artikel 6.

De custos zal alle jaren het kerkhof zo dikwijls maaien als het zal nodig bevonden worden en het pad om de kerk en het straatje ervoor schoon houden van alle gras of enig ander gewas, dezelve telkens schoffelen en uitharken, stenen en beenderen uit het pad opruimen en in ’t kneukelhuisje of op een afgelegen plaats daar dezelve geen hinder kunnen doen brengen het pad op zodanige breedte houden ter wijdte van 5 rijnlandsche voeten genietende daar voor ’s jaars F2-

Artikel 7.

Bij begraven der lijken zal den custos voor al moeten zorgen dat de lijken behoorlijk in orde op elkander volgen in ene rij naast elkander komen te liggen, de doods beenderen die bij ’t graven uit ’t gras mochten komen zullen de graven (mits den koster haar een mandje bezorgende) alle moeten brengen in kneukelhuisje doch onvermoedelijk enige deze orders mochte weigeren zal den koster het recht hebben van het hekje te sluiten en ’t begraven te verweigeren. Den custos zal voor ’t begraven van een lijk op ’t kerkhof mogen rekenen voor ’t zetten der bare F-6-, schuppen F-2- en luiden der klokke F-10- / samen F-18-

Van een klein kind 6 stuivers.

Voor ’t gemene laken ten voordele der gereformeerde armen 12 stuivers en ’t beste 24 stuivers.

Artikel 8.

De custos zal geen graf in de kerk mogen open tot begraven van een lijk voor een aleer daarvan kennis gegeven te hebben aan de kerkmeester, zullende bij ’t opruimen der kerk alle voorzichtigheid in aanmerking genomen worden opdat de stoelen, banken en canselaar niet worden beschadigt, den custos zal voor ’t begraven van een lijk in de kerk mogen rekenen voor ’t opruimen der kerk F1-8-, opnemen en toeleggen der zerk F2-16-, graven van ’t graf 1ste verdieping F1-4- en 2de verdieping 16 stuivers meer als 1 verdieping

kerkengerechtigheid v.. F2-4

over ’t luiden F1-1-

zetten der bare F1-6-

het laken voor den armen F1-4-

Kantlijn: Nota voor ’t zetten van een lijk in een kelder mogen dezelve rechten van gevorderd worden als van een graf van 2 verdiepingen, buiten ordinaris dat door de custos niet kan worden gedaan moet afzonderlijk betaald worden.

Extra ordinaris zal afzonderlijk moeten worden betaald ingeval er eene kiste in ’t graf staat en dezelve uit het graf ligt en er wederom in zetten zal daarvoor mogen worden gevordert 12 stuivers van een groot lijk; doch van een kind 6 stuivers en zo er iets anders extra mocht voorvallen zal niet boven de 24 stuivers mogen worden gevordert.

Artikel 9.

Zo er een graf in de kerk mocht invallen zal de custos dezelve aanvullen; doch niet meer daar voor mogen vorderen als 1 gulden.

Artikel 10.

Alle de goederen de kerk toebehorende zullen zorgvuldig door de custos bewaard worden, zodanig dat dezelve niet verrotten, verspogten ofte enig ander meletzel aan komen.

Artikel 11.

De koster zal jaarlijks genieten voor ’t smeren der klokke F3-12-

Voor ’t steken van drie stoven der kerken commissie F3-

Houden van ’t boek van aantekening der zitplaatsen F6-

Zo er eniger donker of duisterheden van deze instructie in enige van de art. mochten voort komen, hoegenaamd van wat aard het ook zijn mogen zal door de kerkmeester en commissie worden geëxpliceerd, zonder tegenspraak van diegene welke het verschil hebben mogen.

Kerkmeester en commissie behouden aan zich wel expresselijk de macht van het toeverzicht over alles wat deze instructie behelst, als mede om dezelve ten alle tijden te kunnen verminderen of vermeerderen bij wijze van een tweede instructie of een gehele nieuwe.

Grafhorst den 20 november 1811 / R. van der Woude junior.

Hiervan copia afgegeven op behoorlijk zegel aan den custos den 18 mei 1812 met last van zich hiermee stiptelijk te gedragen.

De koster gaat moeilijk doen

Wanneer Jacob er zo’n twintig jaar op heeft zitten en ongeveer 55 jaar oud is krijgt hij wat praatjes én verdwijnt zijn plichtsbesef wat naar de achtergrond. De kerkvoogden van de Hervormde Gemeente hebben een nieuw reglement opgesteld voor de koster, voorzanger en doodgraver. Jacob is het echter niet met dit nieuwe reglement eens. En verder is er nog een financieel probleem, want de koster wil het door hem geïnde plaatsengeld niet afdragen, ten bedrage van ruim 81 gulden. Het Provinciaal College wordt te hulp geroepen. Hoe het precies wordt opgelost is niet duidelijk, maar Jacob dient (als koster) in ieder geval zijn ontslag in.

Waarschijnlijk is het opzeggen van zijn baan als koster niet echt het probleem, maar Jacob wil wel schoolmeester blijven. Burgemeester Tichler komt eind december 1831 bij de kerkvoogden om te praten over ‘de vraag aangaande het eigendom van het huis van de koster en schoolmeester en of het huis in geval van een scheiding van deze beide functies ter beschikking komt aan de Kerkvoogden voor hun koster óf aan de gemeente ten behoeve van hun schoolmeester’. Deze vraag is volgens hem onnodig, omdat Venema niet voor de ene functie kan en mag bedanken en de andere functie aanhouden. Venema zal bericht worden gedaan dat hij binnen acht dagen schriftelijk moet verklaren zijn ontslag als koster, voorzanger en doodgraver in te trekken. Als hij dat niet wil, ziet men zich genoodzaakt hem ook als schoolmeester te ontslaan. Jacob neemt zijn woorden terug, maar de situatie wordt onhoudbaar. Ook op school maakt hij er een potje van. Het gemeentebestuur maakt een en ander aanhangig en Jacob Venema zal nu ontslagen wórden!

De kerkvoogden schrijven aan Jacob de volgende ontslagbrief: ‘Bij het kollegie van kerkvoogden ontvangen zijnde, een kennisgeving van het gemeente bestuur van IJsselmuiden van den 10 april laatstleden behelzende een besluit van heeren gedeputeerden staten van den 28 maart laatstleden afd. nr. 413/525 waarbij gij als onderwijzer der jeugd wegens wangedrag, dronkenschap en plichtsverzuim van dezen post ontzet zijt geworden. Kerkvoogden oordelende dat gij om dezelfde redenen ontzet behoort te worden in de posten als koster, voorzanger en doodgraver, en wensende te voldoen aan den inhoud dier wet welke bepaald dat daar waar zulks geschieden kan de posten van onderwijzer, koster enz met elkander in denzelven persoon verenigen blijven, ontslaan te bij dezen van voornoemde betrekkingen, en nodigen te uit om morgen na de middag ten 5 uur alhier in de kerk alle de stukken zo boeken, papieren als gereedschappen met één woord alles wat het eigendom der kerk is en onder een bewaring is gesteld geworden aan het kollegie van kerkvoogden ter hand te stellen. Eindelijk wordt te nog kennis gegeven, dat gij de kosterij thans door u bewoond wordende moet ontruimen en wel voor of uiterlijk op den 15 juni eerstkomende.’

In het al genoemde tijdschrift ‘Bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding’

staat het volgende: ‘Op de bij herhaling ontvangene klagten omtrent het wangedrag van den onderwijzer J. Venema te Ysselmuiden, hebben het Gemeentebestuur en de Districts-Schoolopziener, de noodzakelijkheid inziende, dat daaromtrent voorzieningen in het belang der jeugd plaats grijpen, eene Voordragt gedaan om dien onderwijzer van zijnen post te ontzetten en denzelven door een meer geschikt persoon te doen vervangen. Uit de, daarop door Heeren Gedeputeerde Staten van Overijssel ingewonnen, informatiën gebleken zijnde, dat genoemde onderwijzer steeds in hetzelve blijft volharden en zich aan dronkenschap en pligtverzuim schuldig maakt; zoo is door Hun Ed. Groot Achtb. goedgevonden den gemelden onderwijzer J. Venema van zijnen post te ontzetten, met intrekking der aan hem, in der tijd, verleende Acte van algemeene Toelating tot het geven van onderwijs.’

Jacob Venema kan niet anders dan vertrekken en zal zijn verdere leven slijten als landbouwer in Oosterholt. Er verschijnt een advertentie voor een nieuwe onderwijzer, waarin wordt aangegeven dat de post is gecombineerd met de functie van koster en voorzanger bij de Hervormde Gemeente wat 36 gulden per jaar oplevert en het vrij gebruik van huis en hof. Na het een poosje te hebben moeten doen met tijdelijke onderwijzers, wordt op 4 november 1833 Jacob Hoogenkamp aangesteld. Hij zal tot 1870 in IJsselmuiden werkzaam zijn.

De gecombineerde functie koster/onderwijzer loopt op z’n einde…

Eigenlijk zijn er al weer problemen, want de kerkvoogden schrijven al vóór de komst van Hoogenkamp aan het gemeentebestuur ‘dat onderscheidene pogingen dezerzijds aangewend om aan J. Hoogenkamp onder zekere voorwaarden de bedieningen van koster, voorzanger en doodgraver op te dragen, mislukt zijn, en kerkvoogden daardoor genoodzaakt worden die bedieningen aan anderen persoon te geven; dat uit dien hoofde dan ook geen inwoning kan vergund worden aan voornoemde Hoogenkamp als onderwijzer der jeugd in de kosterij’. Eind november 1833 is er echter bericht van de kerkvoogden dat Hoogenkamp wél aangesteld zal wordt als koster, voorzanger en doodgraver, maar het voorzingen in de kerk moet hij overlaten aan ‘Lubertus Bouwhuis, onderwijzer te Grafhorst, en bij het vertrek of overlijden van dezen, door hem als dan eenen persoon in deszelfs plaats zal moeten gesteld worden ten genoegen van het kollegie van kerkvoogden’. Wellicht doet deze Bouwhuis, tevens kerkenraadslid, het al ruim een jaar, naar ieders tevredenheid en misschien ook wel veel beter dan dat Hoogenkamp het ooit zal kunnen doen…

Of dit uiteindelijk het struikelblok is geworden is onduidelijk, maar een klein jaar later blijkt Hoogenkamp toch niet aangenomen te zijn als koster en woont hij nog in zijn geboorteplaats Kampen. De kerkvoogden berichten dat zij per 4 april 1834 als koster hebben aangenomen de heer G. Klein, die ‘in die betrekking de bewoning van de kostery is vergund, en welke woning derhalve vrij en afgescheiden van het schoolgebouw behoord te zijn, waarom kerkvoogden dan tevens verzoeken, dat het gemeente bestuur voor die afscheiding zorge, door de buitendeur, dienende voor de ingang tot de school van eene behoorlijke sluiting te voorzien, en wel in den tijd der eerstvolgende veertien dagen.’ De burgerlijke gemeente betaalt Hoogenkamp een jaarlijks bedrag wegens het gemis van een onderwijzerswoning.

Gerardus Klein, geboren in 1784 te Enkhuizen en overleden in 1866 te Kampen, is een zoon van de chirurgijn Jurriaan Kleijn. Hij wordt onderwijzer en beland op een gegeven moment in Kampen. Daar trouwt hij in 1809 met Dirkjen Meijberg en krijgt bij haar een zoontje die slechts 14 weken oud wordt. Nog geen drie maanden in dienst als koster van IJsselmuiden overlijdt in 1834 zijn vrouw, 49 jaar oud. Gerardus hertrouwt binnen een jaar op 2 mei 1835 met Jannigje Lebbelink te IJsselmuiden. Ook zij overlijdt al snel en wel in oktober 1838.

Het is best aannemelijk dat Gerardus het wel gezien heeft in IJsselmuiden. Het werk daar, wordt er niet gemakkelijker op met twee vrouwen op het kerkhof. Hij vertrekt begin 1839 naar Kampen, waar hij in 1842 voor de derde maal trouwt, nu met de weduwe Hendrika van der Kolk.

In Kampen is zijn beroep schoolmeester, maar in IJsselmuiden staat hij alleen te boek als koster. Het is niet duidelijk wat hij hier nog meer heeft gedaan, maar misschien was hij wel hulponderwijzer in IJsselmuiden en/of Grafhorst.

Jacob Hoogenkamp, geboren in 1806 te Kampen, is een zoon van de bakker Albert Hoogenkamp. In 1829 is hij ondermeester in Kampen en slaagt voor het examen, zodat hij van de derde naar de tweede rang wordt bevorderd. In 1833 wordt hij onderwijzer te IJsselmuiden. Op 26 september 1839 treedt hij te Kampen in het huwelijk met Barendina Petronella van Gelder (1812-1884), eveneens een Kamper bakkerskind.

Jacob is in ditzelfde jaar 1839 alsnog aangenomen als koster. De functies van koster en schoolmeester zijn weer gecombineerd. Jacob en Barendina komen nu naar IJsselmuiden om de kosterswoning annex onderwijzerswoning te betrekken. Omdat het leerlingenaantal erg is toegenomen, wordt er (nu in ieder geval) een vaste hulponderwijzer aangenomen en wordt Jakob hoofdonderwijzer. Rond 1842 is het aantal leerlingen al opgelopen tot ongeveer 160. In 1843 lezen we dat de kerkvoogdij 25 gulden extra krijgt van de Gemeente IJsselmuiden ‘ten gevolge der inwoning van den onderwijzer in de Kosterij’.

Kamper Krant 29 September 1842: J. HOOGENKAMP, onderwijzer te IJsselmuiden, vraagt eenen ONDERWIJZER, liefst met November e.k; tegen genot van Salaris, Kost, Inwoning, enz.

Samen krijgen Jacob en Barendina vijf kinderen, een dochter, drie zonen en weer een dochter. De oudste zoon schopt het al jong tot sigarenfabrikant, de tweede zoon is hulponderwijzer bij vader, maar wordt slechts 20 jaar. De derde zoon is al op 4 jarige leeftijd overleden. De oudste dochter trouwt met een sigarenfabrikant en vestigen zich in Groningen, de jongste dochter trouwt een schoolmeester.

Eind 1842 wordt de Kerkelijke Ontvanger (secretaris / administrateur) van de Kerkvoogdij ontslagen en als opvolger wordt verkozen ‘als provisioneel ontvanger Jacob Hoogenkamp, schoolonderwijzer en Koster ter dezer plaats’. Hoogenkamp is daarmee de rechterhand van het College van Kerkvoogden, wat ook betekent dat hij het nóg drukker krijgt.

In 1855 zien we daarom opnieuw een advertentie in de krant. Ditmaal vraagt Hoogenkamp om ‘Eenen Ondermeester, die de Kerkdienst, zonder Orgel kan waarnemen; tegen genot van Kost, Inwoning, enz. benevens een Billijk Salaris.’  Vanwege een hiaat in de notulen van de kerkvoogdij weten we niet precies wat hun rol hierin is en ook niet of er op dat moment iemand is aangenomen. Wel weten we dat in 1857 Gerrit Felix wordt benoemd tot onderkoster en de kosterstaken op zich neemt. Op de school laat hij zich echter niet zien…

De kostersfamilie Felix

Gerrit Felix, geboren op 12 november 1839 te IJsselmuiden als zoon van Johannes Felix en Geertruida van Mekeren is net 18 jaar geworden en heeft dus al jong een verantwoordelijk bijbaantje. Zijn vader, timmerman in IJsselmuiden, is in 1850 al overleden. Vele jaren blijft Gerrit bij zijn moeder wonen en verdient de kost als arbeider én hulpkoster. In 1873 trouwt hij, 33 jaar oud, met de 22 jarige Grafhorster Arendje Landman. Vier jaar later verhuisd het stel naar Grafhorst, om daar de rest van hun leven te blijven wonen. Vier kinderen zijn hun gegeven, waarvan de oudste twee heel jong overlijden.

Geleidelijk aan is Gerrit Felix gewoon dé koster geworden. Eerst heeft hij alleen de kerk en in 1891 komt daar de Leerkamer nog bij. Het is niet waarschijnlijk dat schoolmeester Hoogenkamp zijn handen nog vies heeft gemaakt aan enig (huishoudelijk) werk in en rond de kerk. Het blijkt een goede keus te zijn geweest, want Gerrit blijft het werk doen tot 1912. Zijn zoon Aalt neemt het dan over en van 1946 tot 1974 kleinzoon Kees.

In de notulen van de Raad van de gemeente IJsselmuiden is te lezen dat hoofdmeester J. Hoogenkamp begin maart 1870 zijn eervol ontslag aanvraagt vanwege voortdurende ‘ligchaamsongesteldheid’. Of er nog iets van dit ontslag is gekomen, weten we niet. In de krant lezen we namelijk:

Heden overleed tot diepe droefheid van mij, mijne kinderen en behuwd‐kinderen, in den ouderdom van bijna 64 jaar, mijn geliefde Echtgenoot de Heer JACOB HOOGENKAMP, Hoofdonderwijzer te IJsselmuiden, na eene gelukkige Echtvereeniging van ruim 30 jaar.

IJselmuiden, 23 Maart 1870. Wed. J. HOOGENKAMP‐VAN GELDER.

De schoonzoon Johan Frederik Berk, hulponderwijzer, houdt samen met een kwekeling de school draaiende, totdat ‘In de vergadering van de Raad van 1 augustus wordt uit een voorgesteld drietal gekozen Adolph Werner Ravenshorst, hulponderwijzer te Ommen, oud 23 jaren, geëxamineerd als hoofdonderwijzer te Zwolle in 1870, te benoemen tot hoofdonderwijzer der openbare lagere school alhier, met ingang van 15 augustus.’

Hoofdmeester Ravenhorst wordt door de burgerlijke gemeente benoemd als schoolmeester en betrekt dan ook de woning bij de school. Er is nu (nog) geen sprake van het kosterschap. In maart 1882 wordt Ravenshorst verkozen tot Kerkvoogd en komt zodoende voor het eerst in beeld. Lang heeft hij deze functie niet bekleed, want in december van dat jaar wordt hij door de andere Kerkvoogden gekozen en benoemd (en gepromoveerd misschien?) tot kerkelijk ontvanger. Vanaf dat moment is hij de administrateur, de notulist, de correspondent en vaak ook de woordvoerder van het college. Tijdens deze zelfde vergadering wordt hij ook nog eens benoemd als koster. Hij krijgt daarvoor jaarlijks 75 gulden, maar moet daarvan 25 gulden afstaan aan onderkoster Felix, die overigens ook voor al het werk dat bij deze functie hoorde opdraait. Het is voor ons volstrekt onduidelijk waarom deze benoeming van Ravenshorst plaats vindt en wat deze baan, voor hem, in houdt.

Gerrit Felix ontvangt dus een vast salaris van 25 gulden per jaar en voor allerlei werkzaamheden die hij verder voor de kerk verricht, wordt hij apart betaald. Het werk in en rond de kerk hoeft hij trouwens niet alleen te doen. Vooral als hij ouder wordt, doen anderen ook veel werk. Voornamelijk neef Gerrit Jan Felix en zoon Aalt Felix zijn vaak van de partij. Zij worden door de kerkvoogdij per klus of per uur betaald. Kerk schoonmaken, kachel aanleggen, vergaderingskosten, avondmaalstafel plaatsen, ophalen van zitgeld, werk op de kerkenakkers, enzovoorts.

Gerrit Jan Felix is bijvoorbeeld ook meer dan 50 jaar stormseinwachter en vlaggenist geweest in dienst van de gemeente IJsselmuiden en daarvoor beklom hij honderden keren de toren van de dorpskerk.

Koster zijn in de afgelopen halve eeuw

Kees Felix is koster sinds 1 januari 1947. Hij heeft de kerk, de Leerkamer en verder onder andere de tuin van de pastorie aan de Dorpsweg. De kerkvoogdij laat hem verder allerlei klussen opknappen op de landerijen van de kerk en ook het innen van het plaatsengeld hoort bij zijn taken. Vrouw en kinderen helpen waar ze kunnen. Tijdens de kerkvoogdijvergadering van 10 september 1951 wordt besloten Felix loonsverhoging te geven. Er is geïnformeerd wat de koster van de Broederkerk in Kampen verdiend. Ook komt een kerkvoogd met de mededeling dat een fabrieksarbeider bij Berk in Kampen f 52,00 per week heeft. Besloten wordt om het loon van Felix te verhogen naar f 55,00 per week. In de jaren 1952 t/m 1964 is hij ook de schoolschoonmaker van de School met de Bijbel aan de Dorpsweg. Hij is dit in de oorlogsjaren overigens ook al een poos geweest.

Vader Aalt kan het maar moeilijk loslaten en staat zijn zoon trouw ter zijde. Op 22 augustus 1951 is vader overleden. In de krant lezen we: ‘In de ouderdom van 71 jaar overleed gisteren plotseling de heer A. Felix, beter bekend als ‘de koster’. Hij was evenals zijn vader zijn leven lang koster van de Ned. Herv. Kerk te IJsselmuiden. Terwijl hij nog enige werkzaamheden had verricht in het gebouw, overviel de dood hem plotseling in de kerk, die hij zo lang had gediend. Hoewel officieel deze functie de laatste jaren door zijn zoon werd vervuld, kon hij niet scheiden van het ambt, dat hij liefhad en elke zondag kon men hem dan ook zijn zoon zien bijstaan.’

In 1958 wordt het Hervormd Verenigingsgebouw ‘de Zaaier’ gebouwd. Kees wordt hier ook de beheerder van. Het gebouw wordt gebruikt door de kerkelijke verenigingen en vergaderingen, maar ook voor heel veel feestelijkheden. De familie Felix is er nogal druk mee, zodat hij het werk in de tuin van de pastorie er niet mee bij kan doen. Vanwege de drukte geeft hij in 1964 ook zijn schoolschoonmaakwerk er aan.

In 1969 maakt Felix de grootse interieurvernieuwing van de Dorpskerk mee. Daarna nog de restauratie van de toren, de nieuwe klok en het uurwerk.

In de zomer van 1973 geeft Felix aan dat hij bijna de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Hij wil graag dat de kerkvoogdij nadenkt over opvolging en dat een nieuwe koster ruimschoots moet worden ingewerkt. Ook zegt hij zijn huis eventueel wel te willen verkopen, welke dan (blijvend) dienst kan doen als kosterswoning. Eerst denkt zoon Henk Felix er over na om het werk over te nemen en hij gaat het een aantal maanden proberen. Kees Felix is per 1 september 1973 met pensioen gegaan. Henk Felix heeft in april 1974 aangegeven dat het hem niet bevalt. De kerkvoogdij besluit nu op zoek te gaan naar een nieuwe koster. Ook de eventuele aankoop van de woning van de familie Felix komt weer in beeld. Deze wordt de kerk aangeboden voor f 40.000,- waar de kerkvoogdij akkoord mee gaat. Het gaat hier om Dorpsweg 38, dat is de rechterhelft van de huidige kosterswoning. Ondertussen heeft Kees Felix tijdelijk de kosterstaken weer opgepakt.

Na enkele sollicitatierondes wordt Henk Teune aangenomen als de nieuwe koster. Henk, geboren in 1930 in Kampen, is al jaren woonachtig in de Veenstraat te IJsselmuiden en is melkboer van beroep. Het werk is best zwaar en de klandizie gaat achteruit vanwege de opkomst van de supermarkten. Henk en zijn vrouw Dinie zijn toe aan een nieuwe uitdaging! Per 1 oktober 1974 zullen zij beginnen en krijgt Felix (eindelijk) zijn afscheidsreceptie. En dan is er ineens, na 117 jaar, geen koster Felix meer…

In 1976 wordt de Zaaier flink uitgebouwd. Er komt een bovenverdieping met 3 zaaltjes en een prachtig uitvaartcentrum. Het kosterswerk wordt meer en meer. We kunnen gerust stellen dat het echtpaar Teune onnoemelijk veel uren heeft gemaakt. Ook de tuin rond de dorpskerk is Teune zijn lust en zijn leven. In 1971 is het land van buurman van der Vegt aangekocht en de tuin van de kerk is nu uitgebreid tot aan het Markeresplein. Teune maakt er in deze jaren een waar paradijs van en zomers is het één bloemenzee. De kerk van IJsselmuiden, met zijn prachtige tuin, wordt in heel Nederland geroemd. Negentien jaar is Henk Teune koster geweest, als hij in 1993 aangeeft het genoeg te vinden. Hij wordt 64 jaar en hij (en zeker ook zijn vrouw) vindt het welletjes. Een advertentie in Ons Kerkblad wordt gezet. Heel veel belangstelling is er niet voor deze baan. Mede daardoor gaat de kerkvoogdij het proberen met een piepjong stelletje, dat nog niet eens is getrouwd. Bertil Brink en Janneke Flier worden in oktober 1993 aangenomen.

Bertil en Janneke zijn sinds 1 december 1993 het kosters- en beheerdersechtpaar. De maand december hebben zij met Teune meegelopen om het vak enigszins te leren. Ondertussen heeft de kerkvoogdij in 1990 van de erven Felix ook de woning Dorpsweg 36 gekocht. Beide woningen, de nummers 36 en 38, worden samengevoegd tot één woning. Een verbouwing van f 170.000,- is hier voor nodig, maar dan is het huis ook bijna als nieuw. Op 3 juni 1994 trouwen Bertil en Janneke en betrekken zij de kosterswoning. En nu zijn zij al ruim 28 jaar in functie! Wilt u meer weten? Kom dan gerust eens langs…

Over de kostersfamilie Felix verscheen een artikel van Bertil Brink in het jubileumnummer van het Historisch Tijdschrift van de Historische Vereniging voor de IJsseldelta ‘Jan van Arkel’, jaargang 37, nr. 2, juli 2012.

Een artikel over hoofdmeester Adolph Werner Ravenshorst verscheen eerder in Historisch Tijdschrift van de Historische Vereniging voor de IJsseldelta ‘Jan van Arkel’, jaargang 38, nr. 1, maart 2013.

Over de verschillende kosterswoningen is op deze website een apart venster geplaatst.

Huidige koster Bertil Brink heeft een eigen website, www.bertilbrink.nl,  waarop u meer over hem en van hem kunt lezen.