Dorpskerk

Zoeken
Sluit dit zoekvak.
Vensterafbeelding De eerste dominee

De eerste dominee

Pas aan het eind van het jaar 1582 krijgt IJsselmuiden zijn eerste eigen predikant: dominee Wilhelmus Lanius. De predikanten van het eerste uur zijn echte pioniers.

1100

1200

1300

1400

1500

1600

1700

1800

1900

Nu

In dit venster

Tijdens de Reformatie moeten ook in IJsselmuiden de rooms-katholieke geestelijken het veld ruimen voor gereformeerde predikanten. Pas aan het eind van het jaar 1582 krijgt IJsselmuiden zijn eerste eigen predikant: dominee Wilhelmus Lanius. De predikanten van het eerste uur zijn echte pioniers. Zij dragen er zorg voor dat het kerkelijk leven in de regio op calvinistische leest geschoeid wordt. Meer dan vijftig verschillende predikanten hebben sindsdien de gemeente gediend.

Dominee Wilhelmus Lanius

Kerkelijke archieven van IJsselmuiden uit de periode 1578-1582 zijn niet bewaard gebleven. Lanius komt niet voor in de acta van de Provinciale Synode van Overijssel en/of Gelderland. Classicale acta zijn er pas vanaf 1596. Gelukkig weten we toch iets over deze eerste predikant uit andere bronnen.

De eerste schriftelijke vermelding van dominee Lanius vinden we in de Acta van de Nationale Synode te Dordrecht, gehouden in 1578. Wilhelmus Lanius Doccum, Verbi Minister in Hauwert, ondertekent op 27 Maii Anni 1578 een kredietbrief waarmee de classis Hoorn drie broeders zendt naar de Nationale Dordtsche Synode. Aan de hand van deze vermelding weten we dus ook dat Wilhelmus Lanius in 1578 predikant is van de Noord-Hollandse gemeente Hauwert, uit de Classis Hoorn. Gegevens over zijn leven vóór dit jaar zijn ons onbekend.  

Omdat zijn naam in de provinciale acta van Noord-Holland, zowel in 1578 als in 1588, Wilhelmus Lanius Doccum luidt en hijzelf ook deze naam gebruikt als schrijversnaam in zijn boek over de belegering van Steenwijk, is het aannemelijk dat deze predikant afkomstig is uit het Friese Dokkum. In het voorwoord van het genoemde boek schrijft Lanius: ‘[…] wat ick mijn onwetene joeget in Frieslant hebbe overgebracht’. Hier is dus sprake van een jeugd in Friesland. De naam Wilhelmus Lanius zal een verlatijnsing zijn van de naam Willem Laan, gebruikelijk voor die tijd om toe te passen.

Het is niet bekend of Wilhelmus een predikant van het eerste uur is geweest of dat hij eerder pastoor was. Ook is niet bekend waar hij gestudeerd heeft. Wel wordt hij aangemerkt als een betrouwbare predikant.

In de acta van de Provinciale Synode van Noord-Holland, gehouden van 15 tot en met 18 september 1578 te Amsterdam, lezen we in artikel 22: ‘Opt versoeck van die van die van Vollenhove, doer Cornelium Jellium, dienaer tot Enchuysen, alhier aen den broederen gedaen om eenen dienaer te moegen becoemen voer den tyt van omtrent veertien daegen by hem tot opbouwinge van den coninckrycke Jesu Cristi te dienen, twelcke die broeders (als haer aengenaem) nyet afslaende hebben besloten, dat Wilhelmus Lamius, dienaer tot Hauwaert, derwaerts gesonden sal worden ende behoirlycken aldaer tot opbouwinge van den rycke Christi sal arbeyden geduerende den tyt voerscreven’.

Wat is hier aan de hand? Lanius wordt door de Provinciale Synode van Noord-Holland voor een periode van ongeveer veertien dagen naar Vollenhove gezonden, om te helpen bij het opbouwen van het Koninkrijk van Jezus Christus aldaar. Vollenhove heeft namelijk hulp gevraagd aan de Provinciale Synode van Noord-Holland bij de opbouw en organisatie van de gereformeerde godsdienst.

Na de tijdelijke hulpverlening in 1578 is Lanius teruggegaan naar Noord-Holland, waar hij vervolgens in of kort na 1578 de gemeente van Hauwert verwisselt voor die van Lutjebroek, binnen de Classis Enkhuizen. Noord-Holland, veilig voor de Spanjaarden, heeft al sinds de omwenteling van 1572 een gevestigde gereformeerde kerk.

Beroep in Steenwijk

De ‘Naemketen der predikanten’, door Arnold Moonen opgesteld, vermeldt bij de kerkelijke gemeente van de stad Steenwijk het volgende: ‘Wilhelmus Lanius, beroepen / zo het schijnt / van Lutjebroek 1580 en / ter oirsaeke van den overval der Stadt door de Spaenschen onder Taxis / 1582 vertrokken naer IJsselmuiden’.

Wilhelmus Lanius wordt dus in 1580 vanuit Lutjebroek te Steenwijk beroepen en neemt dit beroep aan. Voor Steenwijk en omgeving is hij geen onbekende vanwege zijn werkzaamheden in 1578 in de kop van Overijssel. Ongeveer twee jaar heeft Lanius Steenwijk mogen dienen. Maar ook buiten Steenwijk is hij actief. Zo draagt de Provinciale Synode van Overijssel van 1581 hem op om samen met de predikanten van Kampen, Zwolle en Deventer ook in Hasselt de Reformatie gestalte te geven. Tevens wordt op diezelfde vergadering aan de gemeente Steenwijk, en daarmee ook aan haar predikant, verzocht Johannes Henrici Covardensis te helpen bij zijn komst naar Steenwijkerwold. 

Van 18 oktober 1580 tot 23 februari 1581 vindt de belegering van de stad Steenwijk door de Spanjaarden plaats. In deze periode wordt het leven beheerst door beschietingen, aanvallen, uitvallen, verdedigen en honger lijden. Er vallen vele doden ten gevolge van oorlogsgeweld en pest. De toenmalige stadssecretaris spreekt zelfs van zevenhonderd slachtoffers.

Over de moeilijke periode van de belegering van Steenwijk schrijft de predikant het 26 pagina’s tellende boekje: ‘Die belegeringe, besettinge ende ontsettinge der stadt Steenwijck, in Sticht van Overijssel, Anno 1580 beginnende opten 18 octobris, eindigende den 23 Februarij, anno 1581’.   

In een van de geschiedschrijvingen vinden we nog de mededeling dat dominee Lanius in de zuidbeuk van de Grote Kerk te Steenwijk een eigen graf bezit. Het is goed mogelijk dat hij dit graf voor zijn vrouw of voor een kind kocht. Het graf is niet meer te vinden. In de jaren 1970-1980 is de Grote kerk grondig gerestaureerd waarbij verscheidene zerken niet meer op de oorspronkelijke plek zijn terecht gekomen of zelfs zijn vernietigd. Uit zijn boek over de belegering komen we over de gezinsomstandigheden van de familie Lanius niet meer te weten dan wat hij schrijft bij de datum van 17 januari 1581: ‘Die vijandt heft een mael gheschooten op die Kijckgaeten van den Thoorn, twelcke (de kogel – BB) in des Predicants huijs op zijns vaders bedde is ghevallen; die cloot woech ruijm zes pont.’ We maken hieruit op dat de pastorie wellicht dichtbij of tegen de kerk aan heeft gestaan en dat vader Laan bij de familie inwoonde.

Vlucht naar veiliger oorden

De periode waarin Lanius in Steenwijk werkzaam is, wordt in 1582 plotseling afgebroken, omdat op 15 november van dat jaar de stad door verraad (opnieuw) in handen van de Spanjaarden valt. Iedereen die protestants is en kan vluchten wijkt uit, onder andere naar Kampen en Utrecht. Ook Lanius verlaat Steenwijk en vertrekt naar veiliger oorden. Dat is in die tijd het westelijke deel van de kop van Overijssel. Wilhelmus Lanius komt uiteindelijk terecht in IJsselmuiden.

In het boek ‘De reformatie te Kampen’ van F. van der Pol lezen we: Als Steenwijk in november 1582 door de Spanjaarden wordt ingenomen wijkt een drietal (in de boeken met name genoemde) gereformeerde burgemeesters als ook een zestal vrouwen uit naar Kampen. In de pastorie bij de Buitenkerk vinden deze mensen tijdelijk onderdak. De pastorie van dominee Holstech is een drukbezochte en veelgebruikte opvang. De dominee krijgt er in 1582 zelfs een onkostenvergoeding voor van het stadsbestuur. ‘[…] den predicant Caspar Holstech te geven 25 gulden, dewijle hij sich an hoer edele beclaecht hadde van voele anvallens tot sijnen huyse, soe van predicanten als andere guede luyden’.

Hoewel het dus alleszins aannemelijk is, dat dominee Lanius eerst vlucht naar de stad Kampen en misschien wel tijdelijk onderdak krijgt bij dominee Holstech, is hij niet permanent binnen de stadsmuren gebleven. Dominee Lanius wordt namelijk niet als lidmaat en/of avondmaalsganger in Kampen genoemd. Het is aannemelijk dat de Kamper predikanten (dat is eigenlijk de Kamper Classis) hebben besloten dominee Lanius naar IJsselmuiden te zenden.

Eigenlijk is dit best opmerkelijk. In de stad Kampen werken op dat moment drie predikanten, te weten: Caspar Holstech, Johan Berendtsz. en Hendricus Schonenburch. Op de particuliere synode van 2 oktober 1581 te Alkmaar verschijnt ‘een ouderlinck van Campen, voerstellende de groote noot aldaer en begeerde, dat de gemeynte mochte van eenen oprechten en vroemen dienaer versorcht wordden’. Op dit verzoek wordt positief gereageerd en aan Kampen wordt een ‘leenpredikant’ afgestaan voor veertien dagen. Deze predikant kan dan eventueel worden beroepen, maar dat gebeurt om bepaalde redenen niet. Tot begin 1584 moet Kampen het blijven doen met drie predikanten. Hoewel Lanius dus vlucht naar Kampen, waar ze vinden dat de gemeente in grote nood verkeert, wordt hij toch onmiddellijk doorgezonden naar IJsselmuiden. Dat Lanius ‘eenen oprechten en vroemen dienaer’ is (zoals men die begeert) staat buiten kijf en is inmiddels wel gebleken. Maar, wellicht is men er ondertussen achter dat deze buurgemeente eveneens toe is aan een eigen predikant, opdat immers: ‘die lere des Evangelii ock up den dorpen haren loep hebben mach’. 

In het voorwoord van zijn boek over het beleg van Steenwijk geeft dominee Lanius ons een blijk van wat er leeft in zijn hoofd en hart. De pure geschiedschrijving wordt ingeleid door enkele woorden die echt bij een dominee passen. Bij alle gebeurtenissen betrekt hij de hand van God in de geschiedenis.

Samengevat komt het hier op neer: God, die rechtvaardig is, slaat ons vaderland met de roede van de oorlog en houdt de vijand dikwijls niet tegen (de oorlog is een regelrechte straf van God). Toch is het ongetwijfeld zo, dat de vijand kan worden weerstaan als ons vaderland zich zal laten leiden door de reine leer van het heilige evangelie. Al is het helaas zo, dat ons volk al lange tijd besmet is met veel zonden als onchristelijke praktijken en antichristelijke afgoderij, om van andere geheime en openbare zonden maar te zwijgen. Maar om de vertoornde Heere te verzoenen en de straf te ontlopen én de onredelijke vijand tegen te staan, is het nodig dat het volk de oude gehoorzaamheid des duivels verlate en met ware boete, in oprecht geloof de eeuwige Koning Jezus Christus begint te dienen en met reine gebeden hem gaat aanroepen.

Met allerlei voorbeelden uit de Bijbel wordt dit principe kracht bijgezet. Gezien het feit dat Steenwijk uiteindelijk van de vijand is verlost, mag men volgens Lanius aannemen dat het de wil van God is dat de vijand wordt weerstaan/bestreden (hij rechtvaardigt de oorlog) en dat men hem ook wel kan overwinnen, voor zover ons vaderland eendrachtig de middelen gebruiken wil.
Haatdragend is de dominee niet. Aan het slot van zijn beschrijving bidt hij de almachtige Hemelse Vader of de graaf van Rennenberg een Paulus mag worden, of hij ‘den Heeren moeghen te voeten vallen, en in Chrisie Jhesu ten jonghesten daeghe, met blijtschap moeghen voor den strenghen gherichte Godes, verwerven die eeuwighe Vreuchde, durch onsen eenighen Heijlandt Jhesum Christum, die daer in der eeuwicheijdt moet gheloevet ende gepreesen sijn, Amen.’

Zijn boekje over het beleg heeft Lanius met name geschreven opdat het een voorbeeld voor andere steden mag zijn: om de vijand te bestrijden is het nodig God van harte te dienen en Hem ook alle lof en eer te geven. Ter bemoediging geeft hij de lezers de woorden uit Psalm 34 de verzen 18 en 19: ‘Die Heere is nae by dien, die eens gebroken geests zijn: en helpet dien, die een verslaghen gemoet hebben: Die Rechtveerdige moet veel lijden, doch de Heere helpt hem uit dien alle.’

Komst naar IJsselmuiden

Opnieuw noem ik hier de ‘Naemketen der predikanten’, door Arnold Moonen, rond het jaar 1700 opgesteld. Bij het opstellen van deze namenlijst heeft Moonen gebruik gemaakt van diverse bronnen. Dit betreft voornamelijk de acta van de Provinciale Synodes en Classes, maar daarnaast ook allerlei overleveringen, aantekeningen en geschiedschrijvingen van verschillende predikanten en geleerden. Bijvoorbeeld ‘de aentekeningen van wylen den godtvruchtigen Heere Joannes Brele, Predikant te Ysselmuiden, uit last der Classe van Kampen gemaekt’, zoals Brele in zijn voorrede schrijft. Wellicht komen de gegevens van Moonen over Lanius uit deze verloren gegane aantekeningen voort? Brele is overigens predikant te IJsselmuiden geweest van 1661 tot 1702.

De eerste predikant van IJsselmuiden is dus volgens Moonen W. Lanius, de beschrijver van het beleg van Steenwijk door Rennenberg, die in 1582 van Steenwijk naar IJsselmuiden gaat en reeds in 1583 naar Elburg vertrekt. IJsselmuiden heeft z’n eerste predikant gekregen ‘dankzij’ het oorlogsgeweld in Steenwijk en niet na een keurige beroepingsprocedure. In deze begintijd worden predikanten trouwens veel vaker door synode of classis her- en derwaarts gestuurd. 

Omdat er geen kerkelijk stukken van de gemeente van IJsselmuiden van deze periode bewaard zijn gebleven en Lanius ook niet wordt genoemd in de acta van de Provinciale Synode, is het heel moeilijk iets zinnigs over het werk van deze eerste predikant van IJsselmuiden te schrijven. Overigens, ook het bewaard gebleven archiefmateriaal van het schoutambt IJsselmuiden (Oud Rechterlijk Archief) heeft, zoals gezegd, een flink hiaat in deze periode.

Iemand die alles intens heeft beleefd en op zeer korte afstand heeft mogen meemaken is koster Wilhelmus Joannis van Hagenstein, die van 1560 tot ongeveer 1585 koster van de kerk is geweest. In het oudste deel van het archief van het schoutambt van IJsselmuiden komen we deze Willem Jansen tegen als koster, als keurnoot en zelfs een enkele keer als onderschout. Waarschijnlijk is hij ook – en misschien wel vooral – de schoolmeester van ons dorp geweest.

Willem heeft een bijzondere periode in de kerkgeschiedenis meegemaakt. In 1571 begroet hij bisschop Aegidius de Monte op zijn visitatiereis in het (toen al) eeuwenoude kerkje van IJsselmuiden. Samen met de pastoor zal hij diep gebogen hebben voor deze hooggeplaatste geestelijke. Trouw staat hij al jarenlang de pastoor in alle dingen terzijde. Maar tijden veranderen: de pastoor vlucht of wordt verdreven, Willem blijft. Misschien zorgt hij er wel voor dat veel kerkelijke activiteiten blijven doorgaan.

Willem is één van de eersten geweest die zijn naamgenoot, dominee Wilhelmus Lanius, in 1582 heeft verwelkomd. De Reformatie is iets wat mensen als koster Willem ‘overkwam’. De kans is groot dat hij het allemaal lastig heeft gevonden, al die veranderingen. Bij de komst van dominee Lanius in 1582 heeft IJsselmuiden – en dus ook Willem – weer een eigen zielenherder. IJsselmuiden is (op papier) protestants, al zijn de zorgen nog niet voorbij.

Oorlogsgeweld

Vanwege het oorlogsgeweld is de situatie in Overijssel in de jaren tachtig van de zestiende eeuw bijzonder  moeilijk geweest. Vooral de bevolking op het platteland heeft het moeten ontgelden.

Een enkele bron geeft hier en daar een aanwijzing van wat er zich in en rond IJsselmuiden heeft afgespeeld. Al heel snel na het verraad van Rennenberg en de overgang tot het protestantisme komen we in het archief van Ridderschap en Steden op de datum 30 juni 1580 een resolutie tegen waarin melding wordt gemaakt van het schrijven van een brief ‘an den luytenant bevelhebber ende soldaeten binnen Hattem’.  In deze brief schrijven Ridderschap en Steden, op verzoek van de IJsselmuider schout Jacob Joncker, over de onterechte gevangenneming van de schout en zij doen een verzoek tot onmiddellijke vrijlating onder borgtocht. Wat is er precies gebeurd? Helemaal duidelijk is het niet, temeer omdat deze resolutie deels moeilijk te lezen is en ook omdat de tekst gek genoeg niet is afgemaakt. De ‘Erenstfeste manhafte und erbare guede vrunde, die schultes van Ysselmuyden Jacob Joncker’ is gevangen genomen vanwege een onterechte aanklacht. Zijn huis is verbrand en hij heeft zich met vrouw en kinderen ‘onder den blauwen hemel moeten verbergen’. Hij geeft aan nergens bij betrokken en nimmer handdadig te zijn geweest en verder is hij bereid om verantwoording af te leggen aan al zijn aanklagers.  

In het Markenboek van IJsselmuiden lezen we tussen de regels door hoe moeilijk de situatie in IJsselmuiden is geweest. In het begin van het jaar 1583 is ‘Willem Jansen, coster, gecoemen bij den erfgenamen van Isselmuden’. Hij komt daar om afspraken te maken over de opbouw van zijn woning. ‘Alzoe durch groete onverstandt ende quade luyden Isselmuiden is verbrandt, is daer Willem Jansen, coster toe Isselmuiden, zijn huis mede verbrandt’.

Het platteland heeft in die tijd vaak te maken met kleine groepen rondtrekkende soldaten. Aangezet door een haperende voedselbevoorrading en slechte soldijbetaling stropen zij al rovend, plunderend en brandstichtend het platteland af. Hoewel dit zich voornamelijk in Salland afspeelt, ontkomt kennelijk ook onze omgeving (Mastenbroek en IJsselmuiden) hier niet helemaal aan.

Moeilijke beslissingen moeten daarom door de overheden worden genomen. Er wordt een veldleger voor het gewest gevormd en voor zover het platteland niet voldoende kan worden beschermd, worden veel nog in gebruik zijnde huizen en bezittingen verbrand. Het strategische doel hiervan is, dat de vijand zo min mogelijk middelen tot onderhoud kan vinden op zijn strooptochten, de zogenoemde ‘tactiek van de verschroeide aarde’.

De boeren op het platteland, tot het uiterste getergd door al het oorlogsgeweld, sluiten zich veelal aaneen. Voor hen is iedere soldaat een vijand, ongeacht of hij Spaans of Staats is, en zo zijn veel slecht betaalde en stropende krijgslieden door boeren vermoord. Hier hebben overigens de IJsselmuidenaren niet aan deelgenomen, want de afgevaardigden van de ‘gemeijne huijsluijden’ van IJsselmuiden, Oosterholt en Sandberg verklaren voor de gedeputeerden van de Raad van Kampen, dat zij aan de moorddadige feiten in Mastenbroek niet meegedaan hebben, noch daarmee iets te maken hebben gehad. Daarom mogen deze lieden dan ook ‘vrij, veilig en onbelet en onverhindert uit en in Kampen komen, handelen, wandelen en wederkeren’.

Al met al is het heel goed mogelijk dat er in de periode, zo kort na de Reformatie, in IJsselmuiden nauwelijks sprake is geweest van een rustig en ordelijk burgerlijk en kerkelijk leven. We lezen namelijk, in slechts één kort zinnetje, dat door ‘quade luyden Isselmuiden is verbrandt’. Daarnaast blijkt uit de hiaten in de verschillende boeken, dat ook de ambtenarij volledig heeft stil gelegen. In de stad Kampen wordt ondertussen een ‘vastelle en bedelldach’ (biddag) afgekondigd, ‘Godt almachtich biddende dat Sijn toernige handt van ons genedelicken affgenoemen moege worden en welvaert ende voirspoet deses landes verlenen wille’

Hoe ‘de provintie in deze tijden, ten gevolge der inlegering van krijgsvolk, zoo door vrienden als vijanden heeft moeten lijden’ blijkt ook uit het uittreksel van de omslag over de kerspelen in Overijssel, tot onderhoud der garnizoenen te Deventer in december 1585. Alle dorpen en kleine steden worden hierin opgesomd. Op een bepaald punt staat er: ‘Dat drostambt van Isselmuyden, dewyle dat selve meestendeels verloopen ende leedich is, sal nae gelegenheit des tydes niet meer connen opbrengen dan f 126,50’. Ook deze laatste aanwijzing over de gevolgen van het oorlogsgeweld spreekt voor zich.

Het bewoners van het platteland in de provincie blijven vanwege de oorlogsomstandigheden nog vele jaren rooms. Het platteland ligt namelijk te veel in de frontlinie tussen de Staatse IJsselsteden en het Spaanse Twente om veilig bewerkt te kunnen worden door predikanten. De dorpen, kort bij de steden gelegen, zijn echter wel vrij snel overgegaan tot de Reformatie. Zalk krijgt in 1581 een eigen predikant, IJsselmuiden in 1582 en Wilsum in 1587. Mastenbroek en Genemuiden daarentegen moeten het nog tot halverwege de jaren 90 zonder dominee doen.

De kans dat dominee Lanius, evenals zijn opvolgers, zijn onderkomen heeft gehad binnen de stadsmuren van Kampen is groot. In de stad is het vele malen veiliger dan daarbuiten. Vanuit Kampen is het dorpje goed te bereiken en te bearbeiden en ook het andere werk in de omgeving, het zorg dragen voor de vestiging en organisatie van het calvinisme in deze regio, kan vanuit Kampen, in samenwerking met de predikanten en de kerkenraad daar, plaatsvinden. En zo komt de dominee heel wat keren over de brug!

Vertrek naar Elburg

Reeds in het erop volgende jaar 1583 vertrekt Lanius naar Elburg. Ook hier is hij de eerste predikant. In Elburg blijft hij tot 1587, wanneer hij terugkeert naar zijn vroegere gemeente Lutjebroek. Ook uit de jaren te Elburg is ons niets overgeleverd. In de ‘Geschiedenis der Nederlansche Hervomde Kerk’ uit 1822 halen we nog de volgende passage: ‘Na de Harderwijksche gemeente werd die van Hattem ten jare 1580, en die van Elburg ten jare 1583 gesticht. De eerste vaste predikant te Hattem was Johannes Sander, en te Elburg Wilhelmus Lanius. In de meeste dorpen werden vervolgens de hervormde gemeenten eerst gesticht door wettige predikanten tegen het laatst der eeuw; en dit geschiede toen nog zeer langzaam.’

Pas in 1587 en 1588 komen we zijn naam weer op papier tegen. Lanius is dan, zoals gezegd, opnieuw predikant van Lutjebroek binnen de classis van Enkhuizen.

De Staten van Holland nodigen in 1587 twaalf van haar voornaamste predikanten uit, onder wie Wilhelmus Lanius, ‘predikant tot Lutkerbroek’, om te spreken over de welstand van het land met het oog op de oorlog. 

De acta van de particuliere synode van de kerken van Noord-Holland op 10 mei 1588 te Haarlem, worden opgetekend door scriba Wilhelmus Lanius Doccum.  Aan het begin staat in de presentielijst vermeld dat uit de classis Enkhuizen zijn verschenen: ‘Guillielmus Lanius, dienaer tot Luttekebrouck […]’.

In Lutjebroek overlijdt Wilhelmus Lanius in het jaar onzes Heeren 1592.  Deze informatie is gevonden in een ‘Kerkelijk Alphabeth behelsende de naemen van al de leeraren, die onder het synodus van Noord-Holland zedert de Reformatie van het jaar 1566 den kerkendienst bekleed hebben’.

Het vervolg

Inmiddels is Jacobus Strijdonck in de loop van het jaar 1583 Lanius opgevolgd als predikant van IJsselmuiden.

Strijdonck is een pastor die zijn hele werkzame leven heeft gediend in de kop van Overijssel en heel wat plaatsen heeft aangedaan. Tot in het jaar 1579 is hij pastoor in Zwartsluis. Dan krijgt de Reformatie ook vat op hem, studeert hij en wordt geëxamineerd en aangenomen ‘tot den dienst’. Via IJsselham is hij naar IJsselmuiden gekomen en is daar tot eind 1584 / begin 1585 gebleven tot zijn vertrek naar Blokzijl. Dominee Hermannus Gerardi volgt hem in datzelfde jaar op.

Als Hermannus Vos in 1587 wordt bevestigd als vierde predikant van IJsselmuiden (overigens in combinatie met Wilsum) breekt een stabielere periode aan. De kerkelijke structuren zijn duidelijk, het evangelie is ‘geland’ in de harten van de dorpelingen en het oorlogsgeweld neemt gelukkig af. Meer dan vijftien jaar zal deze predikant IJsselmuiden dienen en bouwen. De Reformatie is dan geschiedenis, al heeft deze wel diepe sporen nagelaten.

Uiteraard zijn er inwoners van IJsselmuiden die niet zijn overgegaan naar de protestantse kerk. Zij blijven trouw aan de Rooms-Katholieke Kerk en hebben het lange tijd moeilijk. In zogenaamde schuilkerken in Kampen komen zij bijeen, totdat in 1810 de Buitenkerk in gebruik kan worden genomen. Pas in het jaar 1857 wordt de rooms-katholieke parochie IJsselmuiden gesticht door aartsbisschop Zwijsen en is toegewijd aan Onze Lieve Vrouw Onbevlekte Ontvangenis. Een eigen kerk wordt in 1859 gebouwd en zestig jaar later herbouwd.

Twee straten

Als een blijvende herinnering aan deze bijzondere tijd en vooral ook aan de twee hoofdrolspelers in een deel van de kerkgeschiedenis van IJsselmuiden, zijn twee straten naar hen vernoemd. De ‘Simon Johannesstraat’ verwijst naar de laatste pastoor en de ‘Van Dokkumstraat’ naar de eerste predikant van IJsselmuiden. In de jaren zeventig van de vorige eeuw, wanneer de Zandberg wordt volgebouwd en straten een ‘historische naam’ krijgen, wordt gevolg gegeven aan dit aardige idee. Het is een eenvoudig gebaar, waarachter echter, zo blijkt uit dit artikel, een complexe geschiedenis schuilgaat.

Zie voor de gevolgen van de Reformatie voor IJsselmuiden ook het artikel ‘De Reformatie in IJsselmuiden – van pastoor Simon Johannes naar predikant Wilhelmus Lanius Doccum’ . Dit artikel van Bertil Brink verscheen in de Kamper Almanak van 2021. Het volledige artikel is als Pdf-bestand te lezen via onderstaande knop.